Ontslag wegens weigeren dienstbevel houdt stand; uitspraak strafrechter geldt als bewijs.
96/2922 MAW en 96/2928 MAW O
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A., wonende te B.,
C., wonende te D., appellanten,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens ieder van appellanten is op daartoe bij onderscheiden
aanvullende beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de door de
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 25 januari 1996,
onder nrs. MAW 93/00816 en MAW 93/00814, gegeven uitspraken,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft van verweer gediend.
Nadien zijn van de zijde van appellanten de Raad nog een
aantal stukken toegezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van
26 juni 1997, waar appellanten in persoon zijn verschenen,
bijgestaan door mr P.M. Groenhart, beleidsmedewerker ACOM,
CNV-bond voor militairen, als hun raadsman. Gedaagde heeft
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr G.A.J.M. van Vugt,
werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Voorts is ter
zitting van de zijde van appellanten meegebracht als
deskundige kolonel b.d. J.N. Lodders, wonende te Harderwijk.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 -
sindsdien geheten Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd.
De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook)
in ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep dat is
ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet
anders aangeeft, hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast.
De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven
regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten
aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen
besluiten die vóór 1 januari 1994 bekend zijn gemaakt,
onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken
die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals dat gold
vóór dat tijdstip van toepassing blijft.
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer
uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden volstaat de Raad thans met het
navolgende.
Appellant A. en appellant C. waren ten tijde
hier van belang respectievelijk als sergeant en
sergeant-majoor in werkelijke dienst bij de Koninklijke
landmacht en vervulden respectievelijk de functies van
plaatsvervangend commandant en commandant van het
verbindingscentrum van het 1e Nederlandse United Nations
Verbindingsbataljon ten behoeve van UNPROFOR te Sarajevo in
het voormalige Joegoslavië. In die functies waren appellanten
belast met ondersteuning van een Oekraïens VN-bataljon.
Op 20 augustus 1992 was het voormelde verbindingscentrum
gelegerd in de Maarschalk Tito-kazerne te Sarajevo. Nadat die
kazerne onder vuur was komen te liggen, hebben de aldaar
gelegerde Nederlandse militairen, onder wie appellanten, op 21
augustus 1992 de opdracht gekregen zich terug te trekken in
het PTT-gebouw te Sarajevo, hetgeen feitelijk ook is geschied.
Op 26 augustus daaropvolgend hebben appellanten van de
sectorverbindingsofficier, majoor T. Sierksma, de opdracht
gekregen om als plaatsvervangend commandant respectievelijk
als commandant de nodige voorbereidingen te treffen om het
verbindingscentrum ter ondersteuning van het Oekraïens
VN-bataljon weer voor inzet gereed te maken. Daarbij werd niet
medegedeeld waar het verbindingscentrum zou worden geplaatst,
aangezien de exacte, nadere, locatie van het Oekraïens
VN-bataljon nog niet bekend was. Appellanten hebben, ook nadat
zij op de consequenties hiervan waren gewezen, geweigerd
gehoor te geven aan dit bevel.
Na deze weigering hebben appellanten opdracht gekregen zich in
Zagreb te melden bij de plaatsvervangend - op dat moment
waarnemend - commandant van het Nederlandse
verbindingsbataljon, majoor E. Nauta. Deze heeft op 27
augustus 1992 tegenover appellanten voormelde opdracht
herhaald. Ook dit bevel hebben appellanten echter niet
opgevolgd, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat zij zijn
gerepatrieerd naar Nederland en door de Minister van Defensie
zijn geschorst in hun ambt.
In verband met het weigeren van voormelde bevelen zijn
appellanten strafrechtelijk vervolgd. Bij arresten van de
militaire kamer van het Gerechtshof te Arnhem van 2 juni 1993
zijn appellanten veroordeeld tot vier maanden militaire
detentie. Daarbij heeft het hof bewezen verklaard dat
appellanten zich schuldig hebben gemaakt aan het in artikel
127, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht
omschreven misdrijf, te weten:
het als militair opzettelijk niet opvolgen van een
dienstbevel, terwijl als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg
daarvan schade ontstaat aan de gereedheid tot het
daadwerkelijk uitvoeren van een operatie van enig onderdeel
van de krijgsmacht. De door appellanten tegen deze arresten
ingestelde cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad bij
arresten van 11 januari 1994 verworpen.
Na de arresten van het Gerechtshof te Arnhem zijn appellanten
bij besluiten van 29 juni 1993 door de Minister van Defensie,
nadat deze de in artikel 46 van het Algemeen militair
ambtenarenreglement (AMAR) bedoelde commissie om advies had
gevraagd, wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van
hun plichten met ingang van 1 augustus 1993 op grond van
artikel 39, tweede lid, onder k, van het AMAR ontslagen uit de
militaire dienst als beroepsmilitair, aangesteld voor
onbepaalde tijd beneden de rang van tweede-luitenant.
De namens appellanten tegen deze besluiten ingestelde beroepen
zijn door de rechtbank ongegrond verklaard.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 10 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW), zoals
dat artikel luidde ten tijde hier van belang, is - voor zover
hier aan de orde - bepaald dat een uitspraak van de
strafrechter, in kracht van gewijsde gegaan, waarbij de
militaire ambtenaar aan enig feit schuldig is verklaard, in
een militaire ambtenarenzaak geldt als bewijs van dat feit.
Dit betekent dat in dit geding als vaststaand moet worden
aangenomen dat appellanten zich schuldig hebben gemaakt aan
hetgeen in de hiervoor vermelde arresten van het Gerechtshof
te Arnhem bewezen is verklaard.
Ter beoordeling van de Raad staat slechts of het door
appellanten gepleegde strafbare feit, zoals dat in de
hiervoorvermelde arresten van het Gerechtshof te Arnhem
bewezen is verklaard, door de Minister van Defensie terecht en
op goede gronden is aangemerkt als een verregaande nalatigheid
in de vervulling van hun plichten als bedoeld in artikel 39,
tweede lid, onder k, van het AMAR, en zo ja, of de Minister
van Defensie in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen
komen appellanten deswege te ontslaan.
Gezien de ernst van de hier aan de orde zijnde feiten
beantwoordt de Raad eerstgenoemde vraag bevestigend. Met de
Minister van Defensie is de Raad van oordeel dat appellanten
door geen gevolg te geven aan de opdrachten van majoor
Sierksma en, in tweede instantie, van majoor Nauta, het binnen
de krijgsmacht - en in het bijzonder het binnen de
operationele eenheden daarvan - noodzakelijke vertrouwen in de
tijdige en correcte uitvoering van dienstbevelen ernstig
hebben geschaad en zich dusdoende schuldig hebben gemaakt aan
verregaande nalatigheid in de vervulling van hun plichten.
Naar het oordeel van de Raad was de Minister van Defensie dan
ook bevoegd appellanten met toepassing van het bepaalde in
artikel 39, tweede lid, onder k, van het AMAR te ontslaan.
Hetgeen door en namens appellanten in dit verband naar voren
is gebracht heeft de Raad niet tot de overtuiging kunnen
leiden dat de Minister van Defensie niet in redelijkheid van
zijn in artikel 39, tweede lid, onder k van het AMAR
neergelegde ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Een
en ander leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraken
voor bevestiging in aanmerking komen.
De Raad heeft geen aanleiding gezien om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Beslist moet dan ook worden als volgt:
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr
H.A.A.G. Vermeulen en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in
tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 1997.
(get.) W. van den Brink.
(get.) P.H. Schippers.
HD
04.08