ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7555
public
2013-04-08T13:53:21
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB7555
Centrale Raad van Beroep
1997-05-01
95/503 WUV
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 19
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7555
public
2013-04-08T13:53:21
2003-02-13
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7555 Centrale Raad van Beroep , 01-05-1997 / 95/503 WUV

-

95/503 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A te B],

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad,

verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 31 maart 1995 heeft verweerster ten aanzien

van eiseres het in afschrift aan deze uitspraak gehechte

besluit genomen.

Tegen dit besluit heeft mr A.H. Punt-Koopmans, thans advocaat

te Leeuwarden, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep

ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet

waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan

verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op

20 maart 1997. Aldaar is eiseres in persoon verschenen met

bijstand van haar raadsvrouw mr Punt-Koopmans voornoemd,

terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr

T.H. Bosboom, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Bij besluit d.d. 13 januari 1983 van de Uitkeringsraad,

rechtsvoorganger van verweerster, is aan eiseres met ingang

van 1 juni 1982 een periodieke uitkering als vervolgde in de

zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

(hierna: de Wet) verleend. Bij de regeling van de uitkering is

vastgesteld dat het vermogen van eiseres per 1 juni 1982 f.

5.220,-- bedraagt.

[In] 1985 is eiseres getrouwd met [naam echtgenoot].

In mei 1988 - nadat het recht van eiseres op een periodieke

uitkering was hersteld - heeft de Uitkeringsraad eiseres

verzocht aan te geven hoe de totale vermogenspositie van haar

en haar echtgenoot er na het huwelijk uit ziet.

Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de vaststelling van een

vermogenstoeval per huwelijksdatum ad f. 232.088,84. Dit is in

het nader bericht d.d. 28 februari 1994, behorende bij de

berekeningsbeslissingen d.dis 30 november 1993 en 23 februari

1994 neergelegd.

Volgens bedoeld nader bericht bedraagt het totale vermogen met

inachtneming van het reeds per 1 juni 1982 vastgestelde

vermogen ten bedrage van f. 5.220,--, het totale vermogen f.

237.308,84. Van de vermogenstoeval maakt onder meer onderdeel

uit de op intrinsieke waarde opgenomen aandelen [naam B.V.] ad

f. 84.905,11. Dit is een besloten vennootschap waarvan de

echtgenoot van eiseres directeur en enig aandeelhouder is,

waarin hij zijn tandartspraktijk heeft ondergebracht. Met

inachtneming van deze vermogenstoeval is de uitkering van

eiseres bij berekeningsbeslissingen d.dis 30 november 1993 en

23 februari 1994 over de jaren 1985 tot en met 1990 definitief

vastgesteld; hierbij is bepaald dat aan eiseres over die jaren

f. 32.597,61 te veel uitkering was uitbetaald, welk bedrag van

eiseres is teruggevorderd op grond van artikel 59a, tweede

lid, oud, van de Wet. Bezwaar de hoogte van de vermogenstoeval

en de terugvordering betreffend, is bij het bestreden besluit

ongegrond verklaard.

In beroep zijn namens eiseres de in bezwaar geuite grieven

herhaald.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Verweerster heeft bij de vaststelling van de vermogenstoeval

per 4 januari 1985 de waarde van de aandelen [naam B.V.]

bepaald op de intrinsieke waarde daarvan, dat wil zeggen de

waarde zoals die uit de balans van de b.v. per 1 januari 1985

blijkt. De Raad acht dit juist. Immers, nu er geen enkele

reden is aangevoerd om aan de continuïteit van de onderneming

van de echtgenoot van eiseres te hoeven twijfelen, kan de door

verweerster berekende waarde geacht worden een reëel beeld van

de waarde van de aandelen te geven. Daarom kan de Raad aan de

brief van de belastingadviseur van eiseres R.P.H. de Rooij

d.d. 8 september 1988, waarin een waarde wordt genoemd van

f. 10.000,--, niet de betekenis toekennen die eiseres daaraan

gehecht wenst te zien. Dat voor de vermogensbelasting een

lagere waarde dan de intrinsieke waarde is aangegeven en ook

bij de aanslagregeling is gevolgd, kan hieraan niet afdoen.

Eiseres heeft voorts de grief naar voren gebracht dat

verweerster niet gerechtigd is de te veel uitbetaalde

uitkering over de jaren 1985 tot en met 1990 ten bedrage van

f. 32.597,61 terug te vorderen. Hiertoe is aangevoerd dat

artikel 59a, tweede lid, van de Wet eerst met ingang van 4

juli 1986 in de wet is opgenomen, en ook dat per

4 juli 1986 het bepaalde in artikel 59a van de Wet aan

terugvordering in de weg staat omdat verweerster de uitkering

over de jaren 1985 tot en met 1990 niet tijdig definitief

heeft vastgesteld.

Terzake van het eerste onderdeel van deze grief neemt de Raad

in aanmerking dat tot 4 juli 1986 de dwingende bepaling van

artikel 59, tweede lid, oud, van de Wet, grondslag bood voor

een terugvordering als de onderhavige. Derhalve moet de

vermelding van het onjuiste artikel als een omissie worden

aangemerkt, die geen reden kan vormen voor vernietiging van

het bestreden besluit.

Voor zo ver namens eiseres bepleit is dat artikel 59a, tweede

lid, van de Wet zich tegen terugvordering verzet, is de Raad

van oordeel dat uit de gedingstukken blijkt dat nog in januari

1993 niet alle benodigde gegevens voor definitieve

vaststelling van de uitkering waren verstrekt. Derhalve is

artikel 59a, tweede lid, van de Wet geen geweld aangedaan.

Op grond van het voorgaande bestaat voor vernietiging van het

bestreden besluit geen grond.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om

toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet

bestuursrecht beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr R.C. Schoemaker en mr G.L.M.J. Stevens als leden, in

tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 1 mei 1997.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

16.04

+B