ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7439
public
2020-06-04T10:07:03
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB7439
Centrale Raad van Beroep
1998-01-22
96/7622 AW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Rechtspraak.nl
AB 1998, 148 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens
TAR 1998/62 met annotatie van P.L. de Vos
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7439
public
2013-04-08T13:52:55
2013-04-18
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7439 Centrale Raad van Beroep , 22-01-1998 / 96/7622 AW

Afbakening dienstvak/dienstonderdeel. Of een bepaald organisatieonderdeel als een voldoende zelfstandig onderdeel kan worden beschouwd dat moet worden onderscheiden van andere onderdelen, moet aan de hand van de omstandigheden worden bepaald.

96/7622 AW O

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A. te B.],

appellante,

en

het dagelijks bestuur van het Centrum voor Muziek en

Dans Midden-Langstraat, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift

(met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep

ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te

Breda op 5 juli 1996 onder nr. 94/3271 AW V gegeven

uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Bij

brief van 24 november 1997 zijn namens gedaagde nadere

stukken aan de Raad gezonden. Van de zijde van

appellante zijn tevens nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 december

1997, waar appellante in persoon is verschenen,

bijgestaan door mr D. Wolfs, medewerkster van de

Nederlandse toonkunstenaarsbond, en waar gedaagde zich

heeft laten vertegenwoordigen door mr M.J.M.

Schoonhoven, medewerker van het Centraal Adviesbureau

voor publiek recht en administratie te 's-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

Appellante is op 1 mei 1970 als docente ballet in

dienst getreden bij de Waalwijkse Muziekschool, sedert

1988 het bij een gemeenschappelijke regeling

ingestelde Centrum voor Muziek en Dans

Midden-Langstraat (CMD). Haar betrekking had

laatstelijk een omvang van 7 uur en 30 minuten per

week.

Op 23 december 1993 heeft het algemeen bestuur van het

CMD besloten tot een reorganisatie, zulks naar

aanleiding van vermindering van de bijdragen van

enkele deelnemende gemeenten (waaronder Drunen). In

het kader van die reorganisatie is besloten tot

opheffing met ingang van

1 januari 1994 van de door appellante gegeven cursus

klassiek ballet te Drunen.

Bij besluit van 24 januari 1994 is appellante met

ingang van 1 mei 1994 ontslagen wegens opheffing van

haar betrekking. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij

besluit van 16 juni 1994 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het

tegen het bestreden besluit ingestelde beroep

ongegrond verklaard.

Door en namens appellante zijn bezwaren van formele en

van inhoudelijke aard aangevoerd. Het formele bezwaar

houdt in dat in strijd met de toepasselijke

regelgeving geen georganiseerd overleg heeft

plaatsgevonden voorafgaande aan het reorganisatieplan,

dat ten grondslag ligt aan het ontslagbesluit.

Inhoudelijk heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het

ten onrechte niet toepassen van de voorgeschreven

afvloeiingsvolgorde nu er naar haar mening geen sprake

is van opheffing van haar betrekking doch van

vermindering van functie-omvang. Appellante stelt dat

vanwege het CMD in Waalwijk klassiek ballet wordt

gegeven door een docente met een lagere anciënniteit

dan appellante, zodat uren van die docente aan

appellante hadden moeten worden toegewezen.

De Raad overweegt allereerst dat naar zijn oordeel

niet kan worden staande gehouden dat het

reorganisatiebesluit tot stand is gekomen in strijd

met artikel A 3 van het in 1991 vastgestelde (en van

toepassing op nadien aangesteld personeel) Algemeen

Reglement van Ambtenaren werkzaam bij instellingen

voor Kunstzinnige Vorming (RAKV) dan wel artikel A 5

van het, ingevolge artikel II van de op appellante van

toepassing gebleven Rechtspositieregeling Docenten,

Consulenten en Balletbegeleiders (RDCB) met

inachtneming van hetgeen overigens in die regeling is

bepaald, van overeenkomstige toepassing verklaarde

Algemeen Ambtenarenreglement van de gemeente Waalwijk

(AAR), nu bij het CMD geen commissie voor

georganiseerd overleg bestaat terwijl - naast overleg

met alle personeelsleden - onder meer de Nederlandse

toonkunstenaarsbond is ingeschakeld.

De Raad moet thans bezien of de aan het ontslag ten

grondslag gelegde opvatting van gedaagde dat aan de

orde is de opheffing van appellantes betrekking en

derhalve geen afvloeiingsvolgorde behoefde te worden

gehanteerd in rechte stand kan houden.

Ingevolge het bepaalde in artikel II en artikel III

van de - op appellante van toepassing gebleven - RDCB

luiden het eerste en het tweede lid van artikel H 7

van het AAR als volgt:

"1. Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend

wegens opheffing van zijn betrekking of wegens

verandering in de inrichting van het dienstonderdeel

waarbij hij werkzaam is of van andere

dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte

aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit eerste

lid wordt eervol verleend.

2. Wanneer door de afname van het aantal beschikbare

klokuren les in enig vakgebied vermindering van

funktieomvang noodzakelijk wordt, geschiedt dit in de

volgende volgorde:....." (volgt een opsomming van

categorieën in 2 onder a tot en met e, alsmede in de

leden 3, 4 en 5).

Gedaagde heeft betoogd dat in casu sprake is van

opheffing van appellantes betrekking en niet van een

afname van het aantal verminderde klokuren les omdat

de afdeling Drunen van de CMD dient te worden gezien

als een met een eigen taak bedeeld organisatorisch

zelfstandig dienstonderdeel/dienstvak van de CMD; dat

de administratie in Waalwijk wordt verzorgd doet

daaraan naar het oordeel van gedaagde niet af. Voorts

is gewezen op de - van het balletonderwijs in Waalwijk

afwijkende - wijze waarop door appellante in Drunen

volgens de zogenaamde Engelse methode werd lesgegeven,

alsmede op het feit dat de docente in Waalwijk een

gecombineerde functie klassiek ballet/jazzballet

vervult. Ten slotte is erop gewezen dat juist bij de

sector dansante vorming in Drunen het leerlingaantal

aanzienlijk terugliep als gevolg van de concurrentie

met het creativiteitscentrum in Drunen.

De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. Het CMD is

blijkens de gemeenschappelijke regeling gevestigd te

Waalwijk en heeft één (algemeen en dagelijks) bestuur

en één directeur. Het algemeen bestuur stelt - in

overleg met de directeur - het leerplan vast, terwijl

de directeur het rooster van lesuren in

overeenstemming met het leerplan vaststelt;

administratie en financieel beheer vinden centraal

plaats in Waalwijk. Het dagelijks bestuur regelt

aanstelling, schorsing en ontslag van de docenten bij

het CMD. Appellante is laatstelijk in 1980 aangesteld

als docente klassiek ballet zonder dat daarbij een

specifieke plaats van tewerkstelling is aangegeven;

wijziging van die aanstelling heeft nadien niet

plaatsgevonden.

Namens gedaagde is aanvankelijk gesteld dat appellante

steeds uitsluitend in Drunen heeft lesgegeven. Uit de

gedingstukken en het verhandelde ter zitting is echter

gebleken dat appellante ook lessen klassiek ballet in

Waalwijk heeft gegeven en voorts, dat zij daar

regelmatig met haar collega-docente balletuitvoeringen

voor het CMD gaf.

Gelet op al het vorenstaande is de Raad van oordeel

dat met betrekking tot het onderdeel klassiek ballet

te Drunen van de sector dansante vorming van het CDM

niet is gebleken van een zodanig organisatorisch

zelfstandig dienstonderdeel/dienstvak dat gedaagdes

beslissing dat onderdeel te doen verdwijnen tevens zou

inhouden dat de betrekking van appellante zou zijn

opgeheven. Uitgaande van de gehele sector klassiek

ballet van het CMD houdt dit in een vermindering van

functie-omvang als bedoeld in het tweede lid van het

hiervoor omschreven artikel H 7, inclusief de daarbij

geregelde afvloeiingsvolgorde.

Het vorenoverwogene houdt in dat het bestreden besluit

en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen

blijven.

Door en namens appellante is verzocht om de

rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 16 juni

1994 geheel of gedeeltelijk in stand te laten, zulks

met toekenning van een schadevergoeding.

De Raad ziet echter, mede gelet op hetgeen namens

gedaagde dienaangaande is verklaard, in de gegeven

omstandigheden onvoldoende grond voor toepassing van

artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb).

Voorts acht hij, nu moet worden vastgesteld dat aan

het primaire ontslagbesluit hetzelfde gebrek kleeft

als aan het bestreden besluit, termen aanwezig om met

toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb

ook het besluit van 24 januari 1994 te vernietigen.

De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van

artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen tot

vergoeding van een bedrag groot f 1.775,-, aan kosten

wegens aan appellante in eerste aanleg verleende

rechtsbijstand en van f 1.420,- van aan haar in hoger

beroep verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni

1994 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Vernietigt het aan het besluit van 16 juni 1994 ten

grondslag liggende primaire besluit van 24 januari

1994;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante

ten bedrage van f 3.195,-, te betalen door het Centrum

voor Muziek en Dans Midden-Langstraat;

Bepaalt dat het Centrum voor Muziek en

Dans Midden-Langstraat aan appellante het door haar in

eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal f 500,-, vergoedt.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter

en mr Ch. de Vrey en mr W.D.M. van Diepenbeek als

leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel

als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22

januari 1998.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A.W.M. van Bommel.

HD

13.01