ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7531
public
2015-06-08T23:59:25
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB7531
Centrale Raad van Beroep
1998-04-02
97/543 ABP, 97/552 ABP, 98/1512 ABP
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Beroepswet 28
Rechtspraak.nl
TAR 1998/144
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7531
public
2013-04-08T13:53:15
2007-10-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7531 Centrale Raad van Beroep , 02-04-1998 / 97/543 ABP, 97/552 ABP, 98/1512 ABP

Verzoek schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten, zuiver schadebesluit, aansluiting met

civiele schadevergoedingsrecht, onrechtmatige overheidsdaad, onbevoegde rechter.

97/543 ABP, 97/552 ABP en 98/1512 ABP

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP als rechtsopvolger

van het bestuur van het voormalige Algemeen burgerlijk

pensioenfonds, appellant, tevens gedaagde (hierna te noemen:

appellant),

en

A., wonende te B., gedaagde, tevens

appellant (hierna te noemen: gedaagde).

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Partijen zijn op daartoe bij hun aanvullende beroepschriften

aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de tussen hen op

23 december 1996, onder nummer 96/863 BELEI P01 G07, gewezen

uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Assen. Bij die

uitspraak is het besluit van appellant van 26 april 1996, onder

gegrondverklaring van het daartegen namens gedaagde ingestelde

beroep, vernietigd en bepaald dat appellant een nadere beslissing

(bedoeld zal zijn: een nieuw besluit) dient te nemen met

inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen; een en

ander met bepalingen over griffierecht en proceskosten.

Partijen hebben ieder een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 28

februari 1997 een nieuw besluit genomen met betrekking tot de aan

gedaagde toekomende vergoeding terzake van wettelijke rente en

buitengerechtelijke kosten.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 februari 1998, waar

appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door

mr M.J.W.A. Beulen-Darmstadt, werkzaam bij de Stichting

Pensioenfonds ABP, en waar voor gedaagde is opgetreden

mr P.J.G.G. Sluyter, advocaat te Assen.

II. MOTIVERING

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een

uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde

feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende:

Bij besluit van 6 februari 1995 is aan gedaagde medegedeeld dat

de beslissing van 30 november 1992 werd herzien en dat voor de

vaststelling van haar nabestaandenpensioen ingevolge de Algemene

burgerlijke pensioenwet, zoals zij toen gold, de door wijlen haar

echtgenoot doorgebrachte Indonesische diensttijd van 20 juni 1951

tot 5 mei 1955, dubbeltellend, in aanmerking wordt genomen. Dit

leidde ertoe dat gedaagdes nabestaandenpensioen ingaande

februari 1995 op een hoger bedrag werd vastgesteld en dat haar in

verband met de aan de herziening toekomende terugwerkende kracht

tot 24 december 1964 in februari 1995 een nabetaling zou worden

gedaan. Dat besluit is genomen ter uitvoering van de door

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage tussen partijen gewezen

uitspraak van 1 december 1994, nummer 93/577 ABP. Daarin had die

rechtbank beslist dat de beslissing van het bestuur van het

voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abpf) van 14 mei

1993, waarbij was gehandhaafd de beslissing van 30 november 1992

inhoudende dat de door gedaagdes echtgenoot na 20 juni 1951 in de

Republiek Indonesië doorgebrachte tijd niet als dubbeltellende

voor pensioen geldige diensttijd in aanmerking kon worden

genomen, in rechte geen stand kon houden. De

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage had daartoe overwogen

dat, gelet op het bepaalde in artikel IV, aanhef en onder b, van

de Wet van 26 maart 1992, Stb. 199, houdende wijziging van de

Algemene burgerlijke pensioenwet, bij de beslissing van

14 mei 1993 (en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van

30 november 1992) een onjuiste maatstaf was aangelegd. Met

betrekking tot de vraag of wijlen gedaagdes echtgenoot moest

worden geacht gedurende de periode van 20 juni 1951 tot 5 mei

1955 op uitdrukkelijk verzoek van de Nederlandse overheid in

dienst van de Republiek Indonesië werkzaam te zijn geweest, heeft

evenbedoelde rechtbank in haar uitspraak van 1 december 1994

overwogen dat, waar de belangrijkste bewijsstukken buiten het

bereik van gedaagde waren vernietigd, van gedaagde slechts in

redelijkheid kon worden verlangd voldoende aannemelijk te maken

dat van een uitdrukkelijk verzoek als hiervoor bedoeld sprake

was. Uitgaande van de haar beschikbare gegevens was de rechtbank

van oordeel dat voldoende aannemelijk was geworden dat in het

geval van wijlen gedaagdes echtgenoot van meergenoemd verzoek

sprake was.

Namens gedaagde is op 6 juni 1995 verzocht om vergoeding van

schade verband houdend met de nabetaling van het haar toekomende

nabestaandenpensioen. Met name is verzocht om vergoeding van

wettelijke rente terzake van de in

februari 1995 gedane nabetaling over het tijdvak van 24 december

1964 tot 1 februari 1995 en buitengerechtelijke kosten (inclusief

BTW).

Het verzoek van gedaagde om schadevergoeding is beoordeeld aan de

hand van jurisprudentie van de Raad in ambtenarenzaken inzake

zuivere schadebesluiten en bij besluit van 22 september 1995 is

namens de directieraad van de Stichting pensioenfonds ABP aan

gedaagde bericht dat haar over de periode van 1 januari 1993 tot

1 februari 1995 een rentevergoeding werd toegekend tot een bedrag

van f 17.011,45; vergoeding van de gevraagde buitengerechtelijke

kosten is afgewezen.

Naar aanleiding van gedaagdes bezwaren tegen het besluit van 22

september 1995 is haar bij besluit van 26 april 1996 namens de

directieraad van de Stichting pensioenfonds ABP medegedeeld dat

haar bezwaar in zoverre gegrond werd bevonden dat de

rentevergoeding nader werd vastgesteld op f 17.869,48; haar

overige bezwaren, betrekking hebbend op de ingangsdatum van de

rentevergoeding en de weigering om aan haar buitengerechtelijke

kosten te vergoeden, zijn ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft het besluit van 26

april 1996 bij de aangevallen uitspraak, onder gegrondverklaring

van het daartegen ingesteld beroep, vernietigd en appellant

opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van

hetgeen in die uitspraak was overwogen; een en ander met

bepalingen over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft

die vernietiging primair doen steunen op de door gedaagde

gestelde schending van de hoorplicht. Zij heeft voorts, onder

verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 juli 1994

(JB 1994/221) als haar oordeel te kennen gegeven dat het besluit

van 26 april 1996 diende te worden bezien als een appellabel

besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling waarvan aansluiting dient

te worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht terzake

van het plegen van een onrechtmatige (overheids)daad en niet,

zoals appellant had gedaan, bij het ambtenaarrechtelijk

schadevergoedingsrecht. In dat verband heeft zij gedaagdes grief

onderschreven dat appellant ten onrechte 1 januari 1993 als

ingangsdatum van de aan gedaagde toekomende wettelijke rente

heeft gehanteerd. De rechtbank is gedaagde ook gevolgd in haar

stelling dat de periode waarover wettelijke rente dient te worden

betaald niet eindigt op

1 februari 1992 maar op de dag der algehele voldoening. Ten

aanzien van gedaagdes vordering terzake van zogenoemde

buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank ten slotte,

toetsend aan de door de Raad in zijn uitspraak van 24 januari

1995 (JB 1995/47) aangelegde maatstaf, te kennen gegeven dat

appellant op dat punt gehouden was tot vergoeding van schade,

welke door de rechtbank ex aequo en bono is vastgesteld op f

2.500,--.

De Raad overweegt in de eerste plaats het volgende.

Gezien de connexiteit die bestaat tussen het de schade gegeven

hebbende besluit van 14 maart 1993, de toepassing van de Algemene

burgerlijke pensioenwet betreffende, en het hier in de procedure

bij de Arrondissementsrechtbank te Assen bestreden besluit van 26

april 1996, is naar het oordeel van de Raad tot het kennisnemen

van het beroep tegen laatstgenoemd besluit in relatieve zin

bevoegd te achten de rechtbank die in deze zin bevoegd is geweest

kennis te dragen van het besluit van 14 maart 1993. Dit was het

Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage en is - sedert 1 januari 1994

- de Arrondissementsrechtbank aldaar. Dit betekent dat de

aangevallen uitspraak onbevoegdelijk door de

Arrondissementsrechtbank te Assen is gedaan. In de gegeven

omstandigheden ziet de Raad echter aanleiding om met toepassing

van artikel 28 van de Beroepswet die onbevoegdheid voor gedekt te

verklaren en de uitspraak alsnog als bevoegdelijk gedaan aan te

merken.

Voorts overweegt de Raad als volgt.

Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen

voor zover het besluit van 26 april 1996 is vernietigd wegens

schending van de hoorplicht. Zijn hoger beroep richt zich tevens

tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de beoordeling van

het besluit van 26 april 1996 aansluiting dient te worden gezocht

bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en het daarmee

samenhangende standpunt betreffende de ingangsdatum van de

wettelijke rente. Met betrekking tot de overwegingen van de

rechtbank over de omvang van de wettelijke rente heeft appellant

te kennen gegeven - slechts - alsnog bereid te zijn tot

vergoeding van wettelijke rente over de periode van 1 oktober

1995 tot 11 juni 1996. Ten slotte heeft appellant betwist

gehouden te zijn gedaagde f 2.500,-- te vergoeden terzake van

zogenoemde buitengerechtelijke kosten.

Het hoger beroep van gedaagde heeft slechts betrekking op het

oordeel van de rechtbank met betrekking tot meerbedoelde

buitengerechtelijke kosten.

In aanmerking nemend dat, nu het door appellant ter uitvoering

van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 28 februari 1997

niet geheel tegemoetkomt aan de bezwaren van gedaagde met

betrekking tot de gevraagde vergoeding van de zogenoemde

buitengerechtelijke kosten, het besluit van 27 februari 1997

ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb in

het onderhavige geding is betrokken, overweegt de Raad met

betrekking tot hetgeen door partijen in hoger beroep is

aangevoerd het volgende:

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige

geval moet worden geconstateerd dat gedaagde zich terecht heeft

beklaagd niet te zijn gehoord. Aan die conclusie ziet de Raad

niet afdoen dat namens gedaagde niet (adequaat) zou zijn

gereageerd op appellants uitnodiging kenbaar te maken of zij

gebruik wilde maken van de gelegenheid te worden gehoord.

Evenbedoelde schending van artikel 7:2 van de Awb (gedaagde en de

rechtbank spreken abusievelijk van schending van artikel 7:16 van

de Awb) leidt ertoe dat het besluit van 26 april 1996 reeds om

die reden niet in stand kan worden gelaten. Mede in aanmerking

genomen dat uit gedaagdes nadere verklaringen dienaangaande

blijkt dat gedaagde zich niet (langer) benadeeld acht als gevolg

van het niet horen, ziet de Raad in het onderhavige geval

voldoende grond voor een nadere inhoudelijke beoordeling van het

besluit van 26 april 1996.

Evenals de rechtbank verwijzend naar zijn uitspraak van 28 juli

1994 (JB 1994/221), stelt de Raad vast dat, waar in het

onderhavige geval sprake is van een besluit op een verzoek om

schadevergoeding naar aanleiding van een eerder besluit waartegen

bij de administratieve rechter beroep kon worden ingesteld, moet

worden vastgesteld dat eerstbedoeld besluit een dermate nauwe

samenhang vertoont met dat eerdere (appellabele) besluit dat dat

schadebesluit reeds om die reden moet worden aangemerkt als een

besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De bevoegdheid tot

kennisneming van een geschil over zo'n besluit volgt de

bevoegdheid tot kennisneming van het gestelde schadeveroorzakende

besluit zelve. Bij de beoordeling van zo'n schadebesluit wordt -

zoals ook het geval is bij toepassing van artikel 8:73 van de Awb

- aansluiting gezocht bij de civiele jurisprudentie met

betrekking tot schadevergoeding als gevolg van een onrechtmatige

overheidsdaad.

Tegen de achtergrond van het vorenstaande ziet de Raad appellants

grief dat de rechtbank bij de beoordeling van het besluit van 26

april 1996 een onjuiste maatstaf heeft aangelegd niet slagen.

Anders dan appellant ziet de Raad niet dat de beoordeling van het

onderhavige besluit - in afwijking van hogerbedoelde meer

algemene vaststelling van de bevoegdheid om kennis te nemen van

beroepen gericht tegen zuivere schadebesluiten en de volgens

vaste rechtspraak daarbij aan te leggen toetsing - zou moeten

plaatsvinden aan de hand van de norm die door de Raad, onder meer

in zijn uitspraken van 16 juni 1994 (TAR 1994, 177) en 28 maart

1996 (TAR 1996, 102) is geformuleerd met betrekking tot de

beoordeling van zuivere schadebesluiten genomen ten aanzien van

ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet 1929 (sedert 1 januari

1994: de Ambtenarenwet). Dat de Raad, zoals ook blijkt uit door

appellant naar voren gebrachte uitspraken, zich voorheen bevoegd

heeft geacht kennis te nemen van beroepen tegen besluiten over

schade gerelateerd aan pensioenbeslissingen genomen ten aanzien

van (gewezen) ambtenaren als zodanig, hun nagelaten betrekkingen

en rechtverkrijgenden in de zin van de Ambtenarenwet 1929 en deze

heeft getoetst aan hogerbedoelde ambtenaarrechtelijke norm, maakt

het vorenstaande niet anders, nu moet worden vastgesteld dat die

rechtspraak tot stand is gekomen vóór de inwerkingtreding van de

Awb en 's Raads uitspraak van 28 juli 1994.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het

hoger beroep van appellant voor zover dat is gericht tegen de

door de rechtbank bij de beoordeling van het besluit van 26 april

1996 aangelegde maatstaf en de daarmee gegeven datum met ingang

waarvan de aan gedaagde toekomende wettelijke rente dient te

worden berekend, niet kan slagen.

Met betrekking tot de omvang van de aan gedaagde toekomende

wettelijke rente verenigt de Raad zich met hetgeen de rechtbank

dienaangaande onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:119

van het Burgerlijk Wetboek heeft overwogen. Dat de uitspraak van

de Raad van 20 februari 1986 (RSV 1986/198) tot een andere

conclusie zou dienen te leiden, vermag de Raad niet in te zien nu

die uitspraak ziet op terugvordering van een uitkering ingevolge

de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die wet

toen luidde en niet op aanspraak op vergoeding van wettelijke

rente, welke aanspraak volgens inmiddels vaste rechtspraak van de

Raad op de voet van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld.

Resteert bespreking van het oordeel van de rechtbank over de

zogenoemde buitengerechtelijke kosten. Deze kosten hebben

blijkens toelichting van gedaagde betrekking op door haar

gemaakte advocaat- en portokosten.

Voor zover het hierbij gaat om kosten die zijn gemaakt vóórdat

het vernietigde besluit van 14 mei 1993 en het daaraan ten

grondslag liggende, na meergenoemde uitspraak van 1 december 1994

herziene, besluit van 30 november 1992 werden genomen, overweegt

de Raad dat die kosten reeds niet voor vergoeding in aanmerking

kunnen komen omdat zij niet het gevolg zijn van het rechtens

onjuist geoordeelde besluit betreffende de vaststelling van de

voor de berekening van gedaagdes nabestaandenpensioen in

aanmerking te nemen diensttijd.

Bij de beoordeling van appellants gehoudenheid tot vergoeding van

de kosten die zijn gemaakt in het kader van administratief

bezwaar tegen het besluit van 20 november 1993 heeft de rechtbank

naar het oordeel van de Raad terecht aansluiting gezocht bij het

in de uitspraak van de Raad van 24 januari 1994 (JB 1995/47)

gehanteerde criterium. Met deze aan het karakter van de

bezwaarschriftprocedure ontleende maatstaf is, zoals de Raad in

zijn uitspraak van 27 mei 1997 (AB 1997, 327) in lijn met de

uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van

State van 12 december 1996 (JB 1997/83) heeft overwogen, tot

uitdrukking gebracht dat de in een bestuurlijke voorprocedure

gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene

moeten blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding

in aanmerking komen. Anders dan de rechtbank ziet de Raad niet

dat in het onderhavige geval sprake is van een bijzonder geval

als hiervoor bedoeld. Met name heeft de Raad niet tot het oordeel

kunnen komen dat de primaire besluitvorming dermate ernstige

gebreken vertoonde, dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan

tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit heeft

genomen. De Raad heeft hierbij laten wegen dat uit de uitspraak

van 1 december 1994 van de Arrondissementsrechtbank te 's-

Gravenhage slechts valt af te leiden dat de vernietigde

vaststelling van de voor de berekening van gedaagdes

nabestaandenpensioen in beschouwing te nemen diensttijd volgens

die rechtbank berust op een incorrecte lezing van artikel IV,

aanhef en onder b, van de Wet van 26 maart 1992, Stb. 199,

alsmede op een vaststelling van de feiten door die rechtbank

waarbij gedaagde het voordeel van de twijfel is gegeven.

Ten aanzien van de door gedaagde in bezwaar tegen het besluit van

22 september 1995 gevorderde vergoeding van (proces)kosten

gemaakt in verband met laatstbedoeld besluit, welke door

appellant bij besluit van 26 april 1996 eveneens is afgewezen,

overweegt de Raad dat hij ook ten aanzien van die kosten niet tot

het oordeel is kunnen komen dat laatstbedoeld besluit in rechte

geen stand kan houden. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is

overwogen met betrekking tot voor vergoeding van in de

bezwaarfase gemaakte proceskosten aan te leggen maatstaf wijst de

Raad erop dat hem ook ten aanzien van laatstbedoelde kosten niet

is gebleken dat aan bedoelde criterium is voldaan.

Uit het voorgaande blijkt dat slechts hetgeen appellant in hoger

beroep tegen het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel

van de rechtbank over de zogenoemde buitengerechtelijke kosten

doel treft, terwijl noch in hetgeen door appellant overigens

tegen die uitspraak is aangevoerd, noch in hetgeen door gedaagde

daartegen is ingebracht grond is gelegen die uitspraak aan te

tasten.

Al het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de

aangevallen uitspraak, zij het met uitzondering van opdracht aan

appellant om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het

die uitspraak overwogene, voor bevestiging in aanmerking komt met

dien verstande dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 april

1996 voor zover betrekking hebbend op de weigering gedaagde een

vergoeding toe te kennen voor zogenoemde buitengerechtelijke

kosten alsnog in stand worden gelaten.

In aanmerking genomen dat appellants weigering gedaagde een

vergoeding toe te kennen voor meerbedoelde buitengerechtelijke

kosten in rechte stand houdt, moet voorts worden vastgesteld dat

het beroep van gedaagde dat geacht wordt te zijn gericht tegen

het besluit van 28 februari 1997 ongegrond dient te worden

verklaard.

Aangezien de Raad in de gegeven omstandigheden voldoende

aanleiding ziet om appellant te veroordelen tot vergoeding van

een bedrag groot f 1.065,-- aan kosten wegens aan gedaagde in

hoger beroep verleende rechtsbijstand, leidt al het vorenstaande

tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de

rechtsgevolgen van het besluit van 26 april 1996 voor zover

betrekking hebbend op de weigering gedaagde een vergoeding toe te

kennen voor zogenoemde buitengerechtelijke kosten alsnog in stand

worden gelaten en met uitzondering van de bepaling waarbij

appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen met

inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen;

Verklaart het beroep van gedaagde dat geacht moet worden te zijn

gericht tegen het besluit van 28 februari 1997, ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger

beroep tot een bedrag groot f 1.065,--, te betalen door de

Stichting Pensioenfonds ABP;

Bepaalt dat van de Stichting Pensioenfonds ABP een griffierecht

wordt geheven van f 630,--.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr R.C. Schoemaker en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in

tegenwoordigheid van P.R. Bax als griffier, en uitgesproken in

het openbaar op 2 april 1998.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.R. Bax.

HD

26.03