ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7575
public
2018-03-09T12:44:12
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB7575
Centrale Raad van Beroep
1998-01-08
96/11317 AAWAO
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
RSV 1998, 115
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7575
public
2013-04-08T13:53:26
2002-10-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7575 Centrale Raad van Beroep , 08-01-1998 / 96/11317 AAWAO

-

96/11317 AAWAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

Flex-O-Therm B.V., gevestigd te Hengelo (Gld), appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv)

in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het

onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de

Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt

onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze

Bedrijfsvereniging.

Appellante is op bij beroepschrift van 2 december 1996

- ingediend door mr P.J. Eshuis, advocaat te Doetinchem -

aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van

een door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen onder

dagtekening 5 november 1996 tussen partijen gewezen uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Door gedaagde is bij schrijven van 5 mei 1997 van verweer

gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op

27 november 1997, waar appellante zich heeft doen

vertegenwoordigen door haar directeur ing. G.J. Jacobs

(hierna: Jacobs). Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen

vertegenwoordigen door mr E.B. Knollema, werkzaam bij Gak

Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Jacobs dreef oorspronkelijk een eenmanszaak onder de naam

Flex-O-Therm. Begin 1993 was de financiële positie van de

eenmanszaak dermate slecht dat voor het totale personeel -

tien werknemers - ontslagvergunningen werden aangevraagd en

verkregen.

Per 1 juli 1993 is operationeel geworden Flex-O-Therm B.V. in

oprichting, welke vennootschap uiteindelijk perfect is

geworden op 21 september 1993 met als oprichter de zoon van

Jacobs. Jacobs werd zelf benoemd tot directeur. De B.V. i.o

heeft een gedeelte van de activiteiten van de eenmanszaak

voortgezet.

Per 1 juli 1993 zijn voor Flex-O-Therm B.V. i.o. twee

werknemers, die reeds in dienst waren bij de eenmanszaak, gaan

werken, waaronder de gedeeltelijke arbeidsongeschikte

werknemer H.M. van Embden (hierna: Van Embden). Van Embden was

sedert 1 januari 1988 in dienst geweest van de eenmanszaak,

welk dienstverband, na de verkregen ontslagvergunning, was

opgezegd per 1 augustus 1993.

Naar aanleiding van appellantes aanvraag daartoe heeft

gedaagde bij beslissing van 22 december 1993 besloten aan

appellante geen bonusuitkering als bedoeld in het toenmalige

artikel 59c van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna:

AAW) toe te kennen, aangezien, gelet op bovengenoemde

omstandigheden, appellante per 1 juli 1993 geen (nieuwe)

dienstbetrekking met een arbeidsongeschikte

uitkeringsgerechtigde was aangegaan.

Hangende het beroep in eerste aanleg heeft gedaagde de aan

zijn beslissing ten grondslag gelegde motivering aangevuld met

het argument dat er sprake is van een overgang van onderneming

in de zin van het toenmalige artikel 1639aa van het Burgerlijk

Wetboek, nu de B.V. (i.o.) een deel van de activiteiten van de

eenmanszaak heeft voortgezet.

De rechtbank heeft zich verenigd met laatstgenoemde

argumentatie, en derhalve geconcludeerd dat er geen sprake is

van het aangaan van een dienstbetrekking als bedoeld in

artikel 59c van de AAW.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat er in

casu sprake is van een overgang van een onderneming.

Genoegzaam blijkt uit de gedingstukken - en Jacobs heeft zulks

ter zitting van de Raad nog eens bevestigd - dat de

vennootschap de activiteiten van de eenmanszaak gedeeltelijk

heeft voortgezet. Aangezien derhalve alle rechten en plichten,

welke voor Jacobs als eigenaar van de eenmanszaak

voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst tussen hem en Van

Embden per 1 juli 1993 van rechtswege zijn overgegaan op

Flex-O-Therm B.V. (i.o.), is er in zoverre geen sprake van het

aangaan van een (nieuwe) dienstbetrekking.

In casu doet zich echter de bijzondere situatie voor dat aan

de eenmanszaak Jacobs reeds een ontslagvergunning voor Van

Embden was verstrekt, van welke vergunning ook gebruik was

gemaakt door de dienstbetrekking per 1 augustus 1993 op te

zeggen. In beginsel zou derhalve ook het dienstverband tussen

appellante en Van Embden per die datum beëindigd zijn.

Appellante heeft echter besloten de reeds gedane opzegging

niet te effectueren en het dienstverband met Van Embden per 1

augustus 1993 voort te zetten. Ter zitting van de Raad heeft

Jacobs verklaard dat daartoe onder meer besloten is vanwege de

moeilijke positie van Van Embden op de arbeidsmarkt als

oudere, gedeeltelijk arbeidsongeschikte, werknemer.

De Raad is van oordeel dat, mede gelet op de ratio van de

bonusregeling om de deelname van gedeeltelijk

arbeidsongeschikte werknemers aan het arbeidsproces te

bevorderen, het besluit van appellante om de reeds gedane

opzegging alsnog in te trekken, beschouwd dient te worden als

het aangaan van een dienstbetrekking in de zin van artikel 59c

van de AAW.

De bestreden beslissing en de aangevallen uitspraak kunnen

derhalve niet in stand blijven.

De Raad ziet aanleiding om gedaagde te veroordelen in de

proceskosten van appellante ten bedrage van f 1.775,-- voor

kosten van rechtsbijstand en ten bedrage van f 10,50 voor

reiskosten in eerste aanleg en ten bedrage van f 710,-- voor

kosten van rechtsbijstand en ten bedrage van f 66,50 voor

reiskosten in hoger beroep.

Het vorenstaande betekent tevens dat gedaagde het door

appellante in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte

griffierecht dient te vergoeden.

Derhalve dient als volgt te worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en de bestreden

beslissing;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit zal nemen op

appellantes aanvraag om een bonusuitkering;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante ten

bedrage van in totaal f 2.562,--;

Gelast dat gedaagde aan appellante het griffierecht ten

bedrage van f 1.000,-- in totaal vergoedt.

Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en

mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen als leden, in

tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 8 januari 1998.

(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.

(get.) L.H. Vogt.

HL

901