ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7702
public
2018-03-09T12:45:12
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB7702
Centrale Raad van Beroep
1998-06-05
97/1887 AAW/WAO, 97/7747 AAW/WAO
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:17
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 8:56
Algemene wet bestuursrecht 8:79
Beroepswet 26
Rechtspraak.nl
RSV 1998, 323
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7702
public
2013-04-08T13:53:55
2007-10-12
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7702 Centrale Raad van Beroep , 05-06-1998 / 97/1887 AAW/WAO, 97/7747 AAW/WAO

Stukken ten onrechte niet aan gemachtigde gezonden; ambtshalve toetsing.

97/1887 AAW/WAO

97/7747 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de

plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige

geval is het Lisv in de plaats getreden van de

Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische

Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens

verstaan het bestuur van die bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 11 april 1994 heeft gedaagde geweigerd aan

appellant in aansluiting op de verstrekking van ziekengeld met

ingang van 5 mei 1994 uitkeringen krachtens de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de

grond dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per die

datum minder dan 15% bedroeg.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij

uitspraak van 5 november 1996 het tegen voormeld besluit

ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en

bepaald dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming

van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Namens appellant heeft mr E.H. Campagne, advocaat te

's-Gravenhage, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de voormelde uitspraak van de rechtbank

heeft gedaagde bij besluit van 22 augustus 1997 met ingang van

5 mei 1994 aan appellant een uitkering krachtens de WAO

toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid

van 15 tot 25%. Voorts heeft gedaagde daarbij geweigerd aan

appellant een uitkering krachtens de AAW toe te kennen op de

grond dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per die

datum minder dan 25% bedroeg.

Op verzoek van de Raad heeft de griffier van de voormelde

rechtbank de Raad een stuk doen toekomen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting

van de Raad, gehouden op 24 april 1998, waar partijen, met

voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak d.d.

5 november 1996 beslist op het door appellant ingestelde

beroep tegen het besluit van gedaagde d.d. 11 april 1994. De

rechtbank was in de aangevallen uitspraak van oordeel dat dit

besluit op een medisch toereikende grondslag berustte.

Aangezien gedaagde ten onrechte de zogenoemde

uurloonvergelijking had toegepast, heeft de rechtbank dat

besluit vernietigd en heeft zij bepaald dat gedaagde een nieuw

besluit neemt met inachtneming van hetgeen zij in haar

uitspraak heeft overwogen.

Die uitspraak is op 11 november 1996 naar partijen gezonden.

Bij schrijven d.d. 27 februari 1997, ingekomen bij de Raad op

28 februari 1997, is namens appellant hoger beroep ingesteld

tegen de aangevallen uitspraak.

Het hoger beroepschrift is niet ingediend binnen de in artikel

6:7, in verbinding met artikel 6:9 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb), bedoelde termijn.

Ten betoge dat de overschrijding van de hoger beroepstermijn

door appellant verschoonbaar is te achten heeft appellant

aangevoerd dat de aangevallen uitspraak hem niet tijdig heeft

bereikt omdat die uitspraak is verzonden naar het oude adres

van appellant, P.straat te C., terwijl hij

inmiddels was verhuisd naar het adres Q.straat te B.

Appellant heeft beroep ingesteld binnen zes weken

nadat hem de aangevallen uitspraak alsnog op het juiste adres

had bereikt en hij acht om deze reden het hoger beroep

ontvankelijk.

Met betrekking tot het punt dat partijen materieel verdeeld

houdt is namens appellant betoogd dat de rechtbank ten

onrechte heeft vastgesteld dat de gedaagde adviserende

verzekeringsgeneeskundige ten aanzien van appellant de bij hem

bestaande medische beperkingen voor het verrichten van arbeid

niet heeft onderschat.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep

overweegt de Raad het volgende.

Bij brief van 7 april 1995 heeft Boekhoud-Bureau "Boutkan"

B.V. te Kwintsheul de rechtbank om informatie gevraagd omtrent

de stand van zaken in de procedure van appellant.

In haar brief d.d. 27 april 1995 heeft de rechtbank vervolgens

aan Boekhoud-Bureau "Boutkan" B.V. verzocht haar te berichten

of het als gemachtigde van appellant optreedt in de bij haar

aanhangige beroepszaak en, indien dit het geval is, een

machtiging over te leggen.

Daarop heeft appellant een door hem ondertekende machtiging

d.d. 12 mei 1995 overgelegd, waarin het genoemde

boekhoudbureau kennelijk in algemene zin wordt gemachtigd.

Niet is gebleken dat deze machtiging door appellant met

betrekking tot de gedingvoering in eerste aanleg is herroepen,

noch dat de bedoelde gemachtigde zich nadien als gemachtigde

onttrokken heeft of dat er omstandigheden zijn op grond

waarvan redelijkerwijze aangenomen moet worden dat deze

gemachtigde op de juistgenoemde datum niet meer als zodanig

kon worden aangemerkt.

Niettemin heeft de rechtbank een afschrift van de aangevallen

uitspraak naar appellant en niet naar die gemachtigde

gezonden.

Dusdoende heeft de rechtbank in strijd gehandeld met het

bepaalde in artikel 6:17 in verbinding met artikel 8:79 van de

Awb.

Gezien het voorgaande moet worden geoordeeld dat

niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van appellant

wegens het niet tijdig indienen van het hoger beroepschrift

achterwege dient blijven.

Het besluit van 22 augustus 1997 komt niet geheel tegemoet aan

het beroep van appellant dat hij heeft ingesteld tegen het

besluit van gedaagde van 11 april 1994. De Raad zal het beroep

van appellant tegen laatstgenoemd besluit dan ook gericht

achten tegen gedaagdes besluit van 22 augustus 1997.

Namens appellant zijn uitsluitend bezwaren van materiële aard

naar voren gebracht tegen de bestreden besluiten en de

aangevallen uitspraak.

De Raad stelt echter ambtshalve vast dat zijdens de rechtbank

in strijd met het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb

verzoeken gericht aan appellant d.dis 11 augustus en 5

september 1995 om inlichtingen te verschaffen niet aan zijn in

de gedingvoering in eerste aanleg optredende gemachtigde zijn

gezonden. Evenmin is de in artikel 8:56 van de Awb

voorgeschreven uitnodiging voor de zitting van de rechtbank

d.d. 30 oktober 1996 aan de voornoemde gemachtigde gestuurd.

Appellant noch die gemachtigde is ter zitting van de rechtbank

op 30 oktober 1996 verschenen, alwaar gedaagde zich, daartoe

ambtshalve door de rechtbank opgeroepen, bij een gemachtigde

heeft doen vertegenwoordigen.

Gelet op het zojuist overwogene kan de aangevallen uitspraak

wegens schending door de rechtbank van artikel 6:17, in

verbinding met de artikelen 8:28, 8:39 en 8:56 van de Awb niet

in stand blijven.

De Raad zal de zaak, en het beroep dat appellant geacht wordt

ingesteld te hebben tegen het besluit van gedaagde van 22

augustus 1997, met toepassing van artikel 26, eerste lid,

onder b, van de Beroepswet terugwijzen naar de rechtbank

respectievelijk onder toepassing van artikel 6:19, derde lid,

van de Awb naar de rechtbank verwijzen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van

de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van

appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op

f 710,- voor verleende rechtsbijstand.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde

in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad

vast dat het door appellant in hoger beroep gestorte

griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voorzover

daarbij is bepaald dat gedaagde het door appellant gestorte

griffierecht vergoedt;

Wijst de zaak in hoger beroep terug naar de

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage;

Verwijst het beroep dat appellant geacht moet worden te hebben

ingesteld tegen het besluit d.d. 22 augustus 1997, naar de

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger

beroep tot een bedrag groot f 710,-;

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van

f 150,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr H.C.

Cusell en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van

T.W.J.M. Weijers als griffier en uitgesproken in het openbaar

op 5 juni 1998.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) T.W.J.M. Weijers.

LK