Plaatsing in eigen functie (functievolger). Besluit weigering toekenning functie ontbeert toereikende motivering.
97/5818 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen
op Zoom, appellant,
en
A., wonende te B., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank
te Breda op 9 juni 1997 onder de nrs. 97/1513 AW AN VV, 97/1781
AW AN VV en 97/1783 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
heeft de President van de Raad bij uitspraak van 8 augustus 1997,
nrs. 97/6118 AW-VV en 97/6730 AW-VV, naar aanleiding van het
daartoe strekkend verzoek van appellant de werking van de
aangevallen uitspraak geregistreerd onder nummer 97/1783 AW
geschorst en het verzoek van gedaagde appellant op te dragen hem
met onmiddellijke ingang te werk te stellen in de functie van
budgetbegeleider II afgewezen, zulks met een bepaling over
griffierecht.
Van de zijde van appellant zijn nog enige stukken aan de Raad
gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 mei 1998, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door drs W. de
Schipper en M. Stroop, beiden werkzaam bij de gemeente Bergen op
Zoom, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr R.G.A.M. Theunissen, advocaat te Eindhoven.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak
van de President van de Raad van 8 augustus 1997 voor een
uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende:
Gedaagde was bij de gemeente Bergen op Zoom werkzaam als
budgetbegeleider bij de financiële unit Welzijn c.a. van de
afdeling Financiën en Belastingen.
In het kader van de plaatsing van het personeel van de gemeenten
Bergen op Zoom en Halsteren bij de door de gemeentelijke
herindeling per 1 januari 1997 gevormde nieuwe gemeente Bergen op
Zoom is gedaagde bij besluit van 27 maart 1997 aangewezen als
medewerker bureau comptabiliteit en bedrijfsadministratie bij het
bureau Financiële administratie van de afdeling Financiën en
Belastingen. Gedaagdes bezwaar tegen de in dat plaatsingsbesluit
vervatte weigering hem overeenkomstig zijn eerste voorkeur te
plaatsen in de nieuwe functie van budgetbegeleider II bij de
financiële unit Welzijn van de afdeling Financiën en Belastingen
is door appellant bij besluit van 4 juni 1997, in afwijking van
het advies van de bezwarencommissie in ambtenarenzaken, ongegrond
verklaard.
Appellant is opgekomen tegen de uitspraak van de
Arrondissementsrechtbank van 9 juni 1997 voor zover daarbij zijn
besluit van 4 juni 1997 - onder gegrondverklaring van het
daartegen ingestelde beroep - is vernietigd en hem is opgedragen
een nieuw besluit te nemen. Hij heeft gevorderd die uitspraak te
vernietigen dan wel in geval van bevestiging de rechtsgevolgen
van het vernietigde besluit van 4 juni 1997 in stand te laten.
De Raad overweegt het volgende:
In het kader van de gemeentelijke herindeling per 1 januari 1997
is plaatsing van ambtenaren in de nieuwe gemeente Bergen op Zoom
geschied aan de hand van de door hen kenbaar gemaakte voorkeur
voor functies en het begrip "functievolger". Van een
functievolger is sprake wanneer uitgaande van de betrokken
functiebeschrijvingen kan worden gezegd dat de functie waarop is
gereflecteerd, grotendeels (meer dan 50%) overeenkomt met de
voorheen vervulde functie. Een functievolger wordt zonder meer
geplaatst in de functie waarop hij heeft gereflecteerd als hij de
enige functievolger blijkt te zijn. Zijn er voor één functie meer
functievolgers onder de reflectanten dan wordt op basis van
objectieve criteria gekeken voor wie de functie het meest passend
is.
Appellants weigering gedaagde overeenkomstig diens eerste
voorkeur te plaatsen in de functie van budgetbegeleider II berust
op de overweging dat voor de functie van budgetbegeleider II drie
reflectanten als functievolger zijn aangemerkt en dat de functie
voor de heer C., voordien medewerker bureau Planning en
Control bij het bureau Planning en Control van de afdeling
Financiën en Belastingen, het meest passend is.
De rechtbank heeft appellants besluit van 4 juni 1997 vanwege het
ontbreken van een deugdelijke motivering niet in stand gelaten.
Met gedaagde is zij van opvatting dat appellant ten onrechte
ervan is uitgegaan dat C. voor de functie van
budgetbegeleider II als functievolger kon worden aangemerkt.
In hoger beroep heeft appellant herhaald C. terecht als
functievolger te hebben aangemerkt. Daarbij is opgemerkt dat de
nieuwe functie van budgetbegeleider II in verband met de, met een
beoogde decentralisatie samenhangende, verzwaring van de
controlfunctie ten opzichte van de vroegere door gedaagde
vervulde functie is gewijzigd en dat die functie om die reden van
MBO-niveau naar HBO-niveau is gebracht. C. dient volgens
appellant als functievolger te worden aangemerkt niet alleen
gelet op de tot zijn vroegere functie van medewerker bureau
Planning en Control behorende taak als budgetbegeleider van de
financiële unit Archief, maar ook en met name gelet op het
complementaire karakter van zijn werkzaamheden ten opzichte van
de werkzaamheden van de vroegere budgetbegeleider.
Gezien de hier als uitgangspunt te nemen functiebeschrijvingen
heeft appellant ook de Raad niet kunnen overtuigen van de
juistheid van zijn standpunt dat C. ten aanzien van de
functie budgetbegeleider II als functievolger is te beschouwen.
Evenmin als de rechtbank acht de Raad aangetoond of aannemelijk
gemaakt dat meer dan 50% van de werkzaamheden die tot C.'s
vroegere functie van medewerker bureau Control en Planning
behoorde terugkeert in de functie budgetbegeleider II. Naast het
tot de functie medewerker bureau Planning en Control behorende,
5% van de werktijd van die functie in beslag nemende,
taakonderdeel budgetbegeleider van de financiële unit Archief kan
weliswaar worden gewezen op tot het taakonderdeel begroting, dat
70% van de werktijd van die functie in beslag neemt, behorende
werkzaamheden die een zekere overlap laten zien met werkzaamheden
van de vroegere budgetbegeleider (wiens functie voor het
overgrote gedeelte terugkomt in de functie budgetbegeleider II),
maar de Raad is niet gebleken van een zodanige omvang van
laatstbedoelde werkzaamheden dat op grond daarvan de conclusie
gewettigd is dat meer dan de helft van de werkzaamheden van de
medewerker bureau Planning en Control is terug te vinden in de
functie budgetbegeleider II.
De Raad komt dan ook evenals de rechtbank tot de conclusie dat
C. ten onrechte als functievolger is aangemerkt en dat om die
reden de gehandhaafde weigering om gedaagde de functie
budgetbegeleider II toe te kennen een toereikende motivering
ontbeert.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, reeds op die grond voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad ziet onvoldoende grond om te voldoen aan het verzoek van
appellant de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
te laten. Hij heeft daarbij met name laten wegen dat de
vaststelling dat aan dat besluit een tot vernietiging leidend
motiveringsgebrek kleeft niet alleen - anders dan appellant
kennelijk meent - niet zonder meer met zich brengt dat C.
zijn functie zou moeten worden ontnomen, maar ook dat zulks niet
impliceert dat de aangevochten weigering niet alsnog van een wel
toereikende motivering zou kunnen worden voorzien. Het ligt
immers nu op de weg van appellant om, met inachtneming van de
vaststelling dat C. ten onrechte als functievolger is
gekwalificeerd, op basis van alle overige hier relevante gegevens
opnieuw te bezien of gedaagde voor die door hem gewenste
plaatsing in aanmerking had dienen te worden gebracht. Anders dan
de rechtbank heeft aangegeven en van de zijde van gedaagde is
gesteld, ziet de Raad in de omstandigheid dat degene die naast
gedaagde en C. voor de functie budgetbegeleider II als
functievolger is aangemerkt geen beroep heeft ingesteld tegen de
in het besluit hem in een andere functie aan te wijzen vervatte
weigering hem in de functie van budgetbegeleider II te plaatsen,
voor appellant geen beletsel gelegen om ook de gegevens over die
reflectant te betrekken in de beoordeling van de vraag of de
functie budgetbegeleider II ten tijde hier van belang voor
gedaagde al dan niet het meest passend was te achten. Voor een
goed begrip tekent de Raad verder nog aan dat appellant bij
evenbedoelde besluitvorming niet is gebonden aan de ten
overvloede gegeven overwegingen van de rechtbank over de vraag of
gedaagde al dan niet voldoet aan het voor de functie van
budgetbegeleider II vereiste kennisniveau. De Raad laat daarbij
overigens in het midden wat er zij van de relevantie en de
juistheid van die overwegingen.
Mede in aanmerking genomen dat nog niet vast staat dat de
weigering gedaagde in de door hem gewenste functie te plaatsen
niet - alsnog - in stand zal kunnen blijven, ziet de Raad geen
aanleiding te voldoen aan het verzoek van gedaagde om toepassing
te geven aan artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht.
Gezien het hiervoor overwogene acht de Raad termen aanwezig om
appellant te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f
710,-- aan kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende
rechtsbijstand.
Een en ander overziende, komt de Raad tot de slotsom dat moet
worden beslist als volgt:
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met
uitzondering van de bepaling over het door gedaagde nieuw te
nemen besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een
bedrag groot f 710,--, te betalen door de gemeente Bergen op
Zoom;
Bepaalt dat van de gemeente Bergen op Zoom een recht van f 630,-
wordt geheven.
Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr
W.D.M. van Diepenbeek en mr T.L. de Vries als leden, in
tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 9 juli 1998.
(get.) W. van den Brink.
(get.) P.H. Schippers.
HD
16.06
Q