ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8030
public
2018-08-25T16:03:17
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8030
Centrale Raad van Beroep
1998-12-30
98/3863 WVG
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Wet voorzieningen gehandicapten 2
Wet voorzieningen gehandicapten 2
Rechtspraak.nl
USZ 1999/60
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8030
public
2013-04-08T13:55:01
2004-03-24
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8030 Centrale Raad van Beroep , 30-12-1998 / 98/3863 WVG

Afwijzing verzoek woningaanpassing.

98/3863 WVG

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Bladel, appellant,

en

de erven van A, gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 4 maart 1997 heeft appellant mededeling gedaan

van een besluit op de namens A (nader te noemen betrokkene),

geboren op .......... 1974 en overleden op ......... 1998,

gedane aanvraag om hem ingevolge de Wet voorzieningen

gehandicapten (WVG) en de op die wet gebaseerde Verordening

Voorzieningen Gehandicapten gemeente Bladel 1996 (nader te

noemen de Verordening) in aanmerking te brengen voor vergoeding

van kosten van aanpassing van de woning van zijn ouders.

Appellant heeft de bezwaren van betrokkene tegen dat besluit

bij het bestreden besluit van 2 juni 1997 ongegrond verklaard.

De president van de Arrondissementsrechtbank te

's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 10 maart 1998 (de

aangevallen uitspraak) naar aanleiding van een namens

betrokkene in het kader van zijn beroep tegen het bestreden

besluit gedaan verzoek om een voorlopige voorziening, dat

beroep onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard, het

bestreden besluit vernietigd, appellant opgedragen om een nieuw

besluit te nemen en voorts het verzoek om een voorlopige

voorziening afgewezen.

Appellant is van die uitspraak, voor zover deze de toepassing

van artikel 8:86 van de Awb betreft, op daartoe aangevoerde

gronden in hoger beroep gekomen.

Namens betrokkene heeft mr J.D. van Vlastuin, advocaat te

Utrecht, bij schrijven van 28 september 1998 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27

november 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen

door A. Borne, werkzaam bij de gemeente Bladel, alsmede drs

W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse

Gemeenten en waar namens gedaagden is verschenen mr Van

Vlastuin voornoemd.

II. MOTIVERING

Op 6 januari 1997 is namens betrokkene, die destijds in

comateuze toestand verbleef in een op grond van artikel 8 van

de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) erkende

instelling, de aanvraag gedaan om - met het oog op het

regelmatig in het weekend kunnen bezoeken van zijn ouderlijk

huis - in aanmerking te komen voor vergoeding van de kosten van

aanbouw van een slaapkamer aan de woonkamer van die woning.

Mede op basis van een door Zorgvoorzieningen Nederland N.V.

uitgebracht advies is bij besluit van 5 maart 1997 die aanvraag

afgewezen, maar is wel een tegemoetkoming toegekend in de

kosten van het verbreden van een tweetal deuren.

Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door

appellant bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Daartoe is verwezen naar artikel 2.6, tweede tot en met vijfde

lid, van de Verordening en de toelichting daarbij, waarover in

dat besluit het volgende wordt overwogen:

"De zorgplicht die gemeenten met betrekking tot de

dienstverlening van de woonvoorzieningen hebben, beperkt zich

tot het hoofdverblijf van de gehandicapte. In principe is een

financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing dus alleen

mogelijk indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in de

woning waaraan de voorzieningen worden getroffen.

Een uitzondering kan gemaakt worden als de gehandicapte zijn

hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig een

bepaalde woning bezoekt. Het is dan mogelijk dat eenmalig een

financiële tegemoetkoming wordt verstrekt ten behoeve van het

aanpassen van één woonruimte waar de gehandicapte vaak

verblijft, uiteraard met toestemming van de eigenaar van die

woonruimte. De financiële tegemoetkoming beperkt zich slechts

tot het bezoekbaar maken van de woning omdat de gehandicapte

daar slechts geringe tijd verblijft. Uit

doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen

volledige maar een gedeeltelijke aanpassing van de woning

plaatsvindt. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt in

deze verordening verstaan dat de gehandicapte de woonruimte, de

woonkamer en één toilet kan bereiken/ gebruiken.

Op basis van het vorenstaande is de financiële tegemoetkoming

beperkt tot het verbreden van de toegangsdeur achterom alsmede

die tussen de keuken en de woonkamer.

Omdat Johan geen gebruik maakt van het toilet ten gevolge van

incontinentie, is aanpassing van het toilet niet aan de orde."

Voorts is in het bestreden besluit onder meer gesteld dat er

geen reden wordt gezien om de hardheidsclausule van de

Verordening toe te passen, daar volgens appellants beleid

daarvoor ten aanzien van gevallen waarop voormelde artikelleden

van de Verordening zien, slechts aanleiding bestaat in zeer

bijzondere situaties, waarin met een beperkte verdergaande

medewerking kan worden volstaan. Een dergelijke situatie acht

appellant niet aanwezig.

De president van de rechtbank heeft de in hoger beroep

aangevochten vernietiging van het bestreden besluit in

hoofdzaak gebaseerd op het oordeel dat vast staat dat

betrokkene wegens volledige incontinentie iedere 2 à 3 uur

verschoond moest worden, dat dit slechts kon gebeuren terwijl

hij op een (hoog/laag) bed lag en dat aannemelijk is dat de

woonkamer van de ouderlijke woning niet geschikt is voor de

daarvoor benodigde handelingen. Voorts in aanmerking nemend dat

het bezoeken van de ouderlijke woning voor betrokkene van groot

belang was, is de president tot de slotsom gekomen dat zonder

het aanbouwen van een aparte kamer voor betrokkene een reëel

bezoek aan het ouderlijk huis niet mogelijk was.

In hoger beroep zijn van de kant van appellant de achtergronden

van de toegepaste bepalingen uiteengezet. Hetgeen zijnerzijds

voorts is betoogd komt erop neer dat een aanbouw van de

woonkamer buiten het bezoekbaar maken van de woning valt en dat

er geen sprake was van een uitzonderingssituatie waarin de

hardheidsclausule zou kunnen worden toegepast.

Van de kant van gedaagden is in hoger beroep vooral het belang

van betrokkene bij het bezoeken van de ouderlijke woning en de

onhoudbare omstandigheden waarin dat diende plaats te vinden

benadrukt.

De Raad moet in dit geding de vraag beantwoorden of het

bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De Raad

overweegt daaromtrent als volgt.

De Raad stelt voorop dat het tweede tot en met vijfde lid van

artikel 2.6 van de Verordening een zeer beperkte strekking

hebben, namelijk om ten behoeve van gehandicapten, die

verblijven in een AWBZ-instelling en voor wie derhalve

krachtens artikel 2, tweede lid, van de WVG de in het eerste

lid van die bepaling omschreven zorgplicht niet geldt,

desondanks de mogelijkheid te bieden een tegemoetkoming te

verlenen in de kosten van het bezoekbaar maken van één

woonruimte en dat nog uitsluitend in die zin dat de woonkamer

en één toilet kunnen worden bereikt en gebruikt. Nu niet is

betwist en ook voor de Raad vaststaat dat de woonkamer van de

ouderlijke woning van betrokkene voor hem toegankelijk was en

dat hij daar gedurende enige tijd kon verblijven en nu voorts

het gebruik van een toilet voor betrokkene niet aan de orde

was, moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet

in strijd is met genoemd onderdeel van de Verordening.

Betreffende de weigering van appellant om gebruik te maken van

de hardheidsclausule van de Verordening verwijst de Raad in de

eerste plaats naar hetgeen hij omtrent een soortgelijk geval

heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 juni 1998 (USZ

1998/224). De Raad voegt daaraan toe dat appellant zelf

blijkens de motivering van het bestreden besluit toch enige

ruimte aanwezig heeft geacht om in dit soort kwesties de

hardheidsclausule toe te passen, namelijk als er in zeer

bijzondere gevallen met een beperkte verdergaande

tegemoetkoming zou kunnen worden volstaan. Nu de kosten van de

gewenste woningaanpassing blijkens de zijdens gedaagden

overgelegde offerte bijna f 40.000,- zouden hebben bedragen,

vermag de Raad reeds daarom niet in te zien dat vergoeding

daarvan als een beperkte verdergaande medewerking als

vorenbedoeld zou kunnen worden aangemerkt. In het

vorenoverwogene ligt tevens besloten dat hetgeen zijdens

gedaagden is aangevoerd, hoezeer dat ook duidt op het bestaan

van voor het ouderlijke gezin van betrokkene uiterst belastende

omstandigheden, niet tot het oordeel kan leiden dat appellant

in casu toepassing aan de hardheidsclausule van de Verordening

had behoren te geven. Ook in zoverre kan het bestreden besluit

derhalve de rechterlijke toets doorstaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak,

voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt

en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden

verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan

het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr M.I 't Hooft als voorzitter en mr D.J.

van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in

tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als

griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 december 1998.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

LK/BvW/RH

2912