ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043
public
2018-08-25T11:05:16
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8043
Centrale Raad van Beroep
1998-12-22
95/4335 AAW/WAO
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 82
USZ 1999/49 met annotatie van Red.
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043
public
2013-04-08T13:55:04
2008-09-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043 Centrale Raad van Beroep , 22-12-1998 / 95/4335 AAW/WAO

Maatmanarbeid; geschiktheid voor maatmanarbeid, rekening houden met niet-verzekerde arbeid.

95/4335 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats

van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is

het Lisv in de plaats getreden van de Grafische

Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens

verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Namens appellant is mr M.M.W.C. Slots-Schrijen, werkzaam bij de

FNV Rechtskundige Dienst, op bij beroepschrift aangegeven gronden

in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Maastricht

onder dagtekening 16 mei 1995 tussen partijen gegeven uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 21 augustus 1995 heeft mr M.J. Klinkert, advocaat

te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Mr Klinkert heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarbij nadere

stukken overgelegd.

Bij brief van 5 november 1996 heeft N.J.G. Kessels, bedrijfsarts

RBB-Abp/USZO, desgevraagd informatie omtrent appellant verstrekt.

Desgevraagd heeft de neuroloog dr J.J. Korten onder dagtekening

15 januari 1997 van verslag en advies gediend.

Op 15 december 1997 heeft mr Klinkert de Raad bericht niet meer

als gemachtigde van appellant op te treden.

Appellant heeft een vraag beantwoord en een nader stuk in geding

gebracht.

Mr P.H.H.J. Krijnen te Klimmen heeft als opvolgend gemachtigde

van appellant appellants standpunt nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 mei 1998,

waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft

doen vertegenwoordigen door mr H.J. Huntjens, werkzaam bij Gak

Nederland B.V.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is

gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband

waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Vervolgens hebben partijen desgevraagd toestemming gegeven de

behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te

laten.

II. MOTIVERING

Appellant was in een voltijdse betrekking werkzaam bij het X.

(X.) en verrichtte daarnaast gedurende twee uren per avond/nacht

werkzaamheden op de expeditie van het Y. (Y.), toen hij op 24

oktober 1988 zijn werkzaamheden in verband met rugklachten moest

staken.

Bij het bestreden besluit van 7 juni 1994 heeft gedaagde

geweigerd aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder

overweging dat appellant na afloop van de zogeheten wachttijd op

5 november 1989 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt daaromtrent het volgende.

Appellant was voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid

werkzaam in een combinatie van een buiten de WAO-verzekering

vallende functie (bij het X.) met een functie waarvoor wel

zodanige verzekering bestaat (zijn werkzaamheden bij het Y.). In

een dergelijk geval dient, volgens vaste jurisprudentie, voor de

toepassing van de WAO voor de bepaling van de maatman en het

maatmaninkomen niet te worden uitgegaan van de combinatie van

functies, maar uitsluitend van de functie waarvoor een

WAO-verzekering bestaat.

Zowel gedaagde als de rechtbank hebben derhalve voor de

toepassing van de WAO terecht appellants werkzaamheden bij het

Y. als zijn maatmanarbeid aangemerkt.

De rechtbank heeft voor de beoordeling van appellants aanspraken

ingevolge de WAO ten onrechte overwogen dat appellant de

wachttijd niet heeft volgemaakt, nu hij na 9 juli 1989 hersteld

is verklaard voor zijn werkzaamheden bij het Y. De rechtbank ziet

er daarbij aan voorbij dat het ontvangen van ziekengeld geen

voorwaarde is voor het volbrengen van de wachttijd en dat de

wachttijd ook kan worden volgemaakt door samentelling van

perioden van arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in het tweede

lid van artikel 19 van de WAO.

De Raad wijst er voorts op dat gedaagde er in het bestreden

besluit zelf van uit gaat dat appellant de wachttijd heeft

vervuld.

Aan de weigering van WAO door gedaagde ligt ten grondslag dat

appellant op de in geding zijnde datum geschikt was om zijn

maatmanarbeid te verrichten.

De Raad acht dit uitgangspunt van gedaagde juist.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad rechtvaardigt

geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de

vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid

tenzij hervatting in de oude functie niet mogelijk is en zich in

het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de

juistheid van die vooronderstelling aantasten.

De rapportage die de neuroloog Korten op 15 januari 1997 op

verzoek van de Raad omtrent appellant heeft uitgebracht, biedt

de Raad voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat

appellant op de in geding zijnde datum, rekening houdend met de

werkzaamheden bij het X. gedurende 6 uren per dag die hij op dat

moment uitoefende, zijn eigen werk bij het Y. kon verrichten.

Van een uitzondering op de regel dat geschiktheid voor de

maatmanarbeid met zich meebrengt dat geen sprake is van

arbeidsongeschiktheid, is in het onderhavige geval geen sprake.

Weliswaar was die arbeid voor appellant niet beschikbaar doordat

hij per 1 oktober 1989 ontslag had genomen, maar dezelfde functie

was nog op de arbeidsmarkt aanwijsbaar, namelijk appellants oude

functie bij het Y.

Nu op de in geding zijnde datum bij appellant geen sprake was van

arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, komt de Raad tot het

oordeel dat gedaagde appellant terecht een uitkering ingevolge

die wet heeft geweigerd.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden

bevestigd voorzover daarbij de weigering van een uitkering

ingevolge de WAO in stand is gelaten.

Voor de beoordeling van de aanspraken van appellant ingevolge de

AAW dient als maatmanarbeid te worden aangemerkt de combinatie

van functies die appellant vóór het intreden van zijn

arbeidsongeschiktheid vervulde.

Partijen zijn het erover eens dat appellant op de in geding

zijnde datum niet in staat was die maatmanarbeid in zijn volle

omvang te verrichten.

De weigering van een AAW-uitkering bij het bestreden besluit

berust op de grond dat appellant op de in geding zijnde datum in

staat was de door hem op die datum feitelijk gedurende zes uren

per dag bij het X. verrichte werkzaamheden te combineren met zijn

arbeid bij het Y.

In een geval als het onderhavige, waarin het erom gaat de mate

van arbeidsongeschiktheid vast te stellen van een verzekerde die

niet geschikt wordt geacht zijn maatgevende werkzaamheden ten

volle te verrichten, werd ten tijde hier van belang door de

bedrijfsverenigingen één van beide, in 's Raads jurisprudentie

aanvaarde, hierna kort weergegeven methoden gehanteerd ter

bepaling van de resterende verdiencapaciteit van betrokkene:

- of deze werd bepaald op hetgeen betrokkene met de door hem

verrichte werkzaamheden feitelijk verdiende (indien althans die

verdiensten een juiste afspiegeling van zijn resterende

verdiencapaciteit vormden);

- of deze werd bepaald op hetgeen de betrokkene theoretisch met

passende functies in loondienst kan verdienen.

De Raad stelt vast dat gedaagde in het geval van appellant - en

zulks naar het oordeel van de Raad ten onrechte - niet één van

deze beide methoden, maar een soort mengvorm daarvan heeft

toegepast.

Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, was appellant sedert 1

oktober 1989 niet meer in dienst bij het Y., zodat voor hem op

de datum in geding, 5 november 1989, niet de mogelijkheid bestond

om zijn eigen werk als medewerker op de expeditie bij dit bedrijf

te hervatten. Nu appellant deze voor hem passend geachte

werkzaamheden naast zijn feitelijk gedurende zes uren per dag bij

het X. verrichte werkzaamheden niet kon gaan vervullen - en

derhalve ter bepaling van zijn resterende verdiencapaciteit niet

kon worden uitgegaan van door hem feitelijk bij het Y. genoten

inkomsten - had gedaagde volgens de hierboven als tweede gegeven

regel appellants resterende verdiencapaciteit dienen vast te

stellen aan de hand van hetgeen hij in een voldoende aantal

concrete (combinaties van) passende functies op de datum in

geding nog kon verdienen.

De door gedaagde gevolgde methode, die erop neerkomt dat de

schatting is gebaseerd op slechts één combinatie van passende

functies, biedt in het licht van 's Raads jurisprudentie een

ontoereikende basis voor de bepaling van de mate van appellants

arbeidsongeschiktheid, in verband waarmee de weigering van een

AAW-uitkering aan appellant als onvoldoende gemotiveerd dient te

worden vernietigd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de weigering van

AAW-uitkering bij het bestreden besluit moet worden vernietigd,

evenals de aangevallen uitspraak voorzover daarbij dat deel van

het bestreden besluit in stand is gelaten.

Gedaagde dient ter zake van appellants aanspraken ingevolge de

AAW op de datum in geding een nader besluit te nemen met

inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de

Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de

proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze

kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand

in eerste aanleg en f 710,- voor verleende rechtsbijstand in

hoger beroep.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde

in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de

Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste

aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde

dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de

weigering van een uitkering ingevolge de AAW in stand is gelaten,

alsmede het bestreden besluit in zoverre;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verstaat dat gedaagde met betrekking tot appellants aanspraken

ingevolge de AAW een nader besluit zal nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste

aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een

bedrag groot f 710,- ;

Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van

f 200,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr M.M. van

der Kade en mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van

B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22

december 1998.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) B.C. Rog.

IS