ECLI:NL:CRVB:1999:AA3711
public
2014-04-13T10:20:29
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AA3711
Centrale Raad van Beroep
1999-09-29
97/7510 AAW/WAO
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:AA3711
public
2013-04-04T15:53:23
2003-07-07
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1999:AA3711 Centrale Raad van Beroep , 29-09-1999 / 97/7510 AAW/WAO

-

483 / 97/7510 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A te B, appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de

plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige

geval is het Lisv in de plaats getreden van de

Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en

Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder

gedaagde mede verstaan het bestuur van deze

bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 15 december 1995 heeft gedaagde de uitkeringen

ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk

berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot

100%, met ingang van

23 januari 1996 herzien en nader vastgesteld naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van

8 juli 1997 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond

verklaard.

Namens appellante is mr J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal,

op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in

hoger beroep gekomen.

Bij brief van 27 september 1997 heeft mr Visser, voornoemd,

een rapport van de neuroloog-psychiater

dr J. Dijkstra ingezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 15 februari 1998, 25 mei 1998 en 10 juni 1998

zijn namens appellante nadere stukken toegezonden, waarop

gedaagde heeft gereageerd.

Op verzoek van de Raad heeft de psychiater R.P. Soeters op 17

februari 1999 van verslag en advies gediend.

Van gedaagde is een reactie binnengekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op

14 juli 1999, waar appellante in persoon is verschenen,

bijgestaan door mr Visser, voornoemd, en waar gedaagde zich

heeft laten vertegenwoordigen door

mr H. van Wijngaarden, werkzaam bij Cadans

Uitvoeringsinstelling B.V.

II. MOTIVERING

Appellante was werkzaam als afdelingshoofd ziekenverzorgster

toen zij zich op 15 mei 1991 ziek meldde met psychische

klachten. Zij ontving gedurende 52 weken ziekengeld ingevolge

de Ziektewet en aansluitend, ingaande 15 mei 1992 uitkeringen

ingevolge de AAW en de WAO, welke uitkeringen in verband met

inkomsten uit arbeid diverse keren werden herzien, maar

laatstelijk werden berekend naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij het bestreden besluit van 15 december 1995 heeft gedaagde

de uitkeringen van appellante met ingang van

23 januari 1996 herzien en nader vastgesteld naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand

kan houden.

De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord, gelet op

het op verzoek van de rechtbank uitgebrachte rapport van de

zenuwarts-neuroloog en klinisch neurofysioloog P.L. The,

waaraan naar het oordeel van de rechtbank niet kan afdoen het

door appellante overgelegde rapport van de revalidatiearts dr

R. Soerjanto en diens onderzoek door middel van de

Ergos-werksimulator.

Hierop heeft appellante, in hoger beroep, een in rubriek I

genoemd rapport van dr J. Dijkstra overgelegd, waarin deze

dekundige stelt dat appellante vanwege de zeer beperkte

psychische belastbaarheid niet geschikt is om gedurende 40 uur

achtereen reguliere arbeid te verrichten.

Vervolgens heeft op verzoek van de Raad, zoals reeds onder

rubriek I vermeld, de psychiater R.P. Soeters van verslag en

advies gediend. Deze deskundige kan zich niet verenigen met

het door de verzekeringsgeneeskundige voor appellante

vastgestelde belastbaarheidpatroon en acht appellante niet in

staat de voorgehouden functies te verrichten.

Gedaagde heeft als reactie op dit rapport aangegeven dat

appellante ook met inachtneming van de zwaardere beperkingen

zoals door de deskundige Soeters voorgestaan op het onderdeel

psychisch belastende factoren, nog in staat zou zijn tot het

vervullen van (het merendeel van) de voorgehouden functies,

omdat de overschrijdingen van appellantes belastbaarheid in de

functies minimaal zouden zijn.

De Raad kan evenwel, lettend op de nader gebleken gegevens,

het oordeel van gedaagde niet delen. Indien immers met

inachtneming van het rapport van de deskundige Soeters

appellantes belastbaarheid op de onderdelen 28b (dwingend

werktempo) en 28h (verantwoordelijkheid, afbreukrisico)

beperkt is, dan blijven drie van de zes voorgehouden functies

-de functie metaalbewerker ongeschoold is niet aangezegd en

dient derhalve in casu buiten beschouwing te worden

gelaten- niet binnen het voor appellante geldende

belastbaarheidspatroon. Nu een nadere toelichting ten aanzien

van de overschrijdingen op deze aspecten ontbreekt, zoals ook

door de gemachtigde ter zitting is bevestigd, kan de Raad dan

ook tot geen andere conclusie komen dan dat slechts drie

functies binnen de door de deskundige aangegeven beperkingen

blijven.

Nu het bestreden besluit is gedateerd 15 december 1995 mag de

functie plantenstekker, welke functie behoort tot de drie

overgebleven functies en die, naar de Raad ambtshalve is

gebleken, in het kader van de zogeheten Herzieningsoperatie

Linschoten op 18 september 1995 uit het Functie Informatie

Systeem is verwijderd, niet bij de onderhavige schatting

worden betrokken. De vaststelling van de resterende

verdiencapaciteit berust derhalve op een te smalle basis,

hetgeen er toe leidt dat het bestreden besluit, evenals de

aangevallen uitspraak, dient te worden vernietigd.

Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek om schadevergoeding

dient te worden toegewezen. Voor de wijze waarop gedaagde de

aan appellante toekomende vergoeding van de schade, bestaande

uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, dient

te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1

november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

Voorts acht de Raad, gelet op het vorengaande, termen aanwezig

om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene

wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van

appellante in beroep en in hoger beroep.

De vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in beroep

begroot de Raad op f 1.420,- en in hoger beroep eveneens op f

1.420,-. Aan reiskosten, gemaakt voor het ondergaan van de

diverse medische onderzoeken en het bijwonen van de zittingen

in beroep en in hoger beroep, dient aan appellante te worden

vergoed f 193,60.

Ook het verzoek van appellante om vergoeding van de in beroep

en in hoger beroep gemaakte kosten voor de op verzoek van

appellante uitgebrachte deskundigenrapporten, te weten een

nota van f 534,50 van dr R. Soerjanto en van f 1.282,60 van dr

J. Dijkstra, alsmede de kosten gemaakt in verband met het

onderzoek door middel van de Ergos-werksimulator van

f 1.500,- komen voor vergoeding in aanmerking.

Ten slotte stelt de Raad vast dat gedaagde aan appellante het

in beroep en in hoger beroep gestorte griffierecht ad

f 210,- dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de schade als in

rubriek II aangegeven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in

beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

f 6.350,70;

Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte griffierecht

ad f 210,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr

T.L. de Vries en prof. mr W.M. Levelt-Overmars als leden, in

tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 29 september 1999.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.F. van Moorst.

AB