ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326
public
2018-08-25T14:05:45
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8326
Centrale Raad van Beroep
1999-05-25
97/10163 ABW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Algemene bijstandswet 17
Algemene bijstandswet 9
Algemene bijstandswet 9
Rechtspraak.nl
JABW 1999, 115
USZ 1999/209
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326
public
2013-04-08T13:55:54
2013-01-21
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326 Centrale Raad van Beroep , 25-05-1999 / 97/10163 ABW

Ten aanzien van deze universitaire studie in deeltijd vormt de WSF geen voorliggende voorziening.

97/10163 ABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A te B, appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij het beroepschrift aangegeven gronden in

hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank

te Utrecht onder dagtekening 19 augustus 1997 tussen partijen

gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Hierop heeft appellant met een brief d.d. 31 maart 1999 gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 april

1999, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde

zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma,

werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. MOTIVERING

In de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is

aangeduid en gedaagde als verweerder - heeft de rechtbank de

volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:

"Op 5 september 1996 heeft eiser een aanvraag ingediend voor

een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Ten

tijde van de aanvraag was eiser begonnen met een

deeltijdopleiding tot onderzoeker/bioloog aan de Universiteit

Utrecht, nadat hij de HBO-opleiding Laboratorium Onderwijs en

Chemische Technologie, richting zoölogie had afgerond. Bij

brief van 11 september 1996 heeft de directeur Sociale Zaken

van de dienst Welzijn van de gemeente Utrecht eiser meegedeeld

dat voor de beoordeling van de aanvraag aanvullende gegevens

nodig waren, te weten een kopie van uitschrijving van de

deeltijdstudie. Bij besluit van 24 september 1996 heeft

verweerder besloten de aanvraag niet verder in behandeling te

nemen, met als motivering dat verweerder nog steeds over

onvoldoende gegevens beschikte om de aanvraag af te handelen.

Eiser heeft tegen dit besluit op 15 oktober 1996 een

bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 13 december 1996 is

het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.".

Deze feiten en omstandigheden worden door partijen niet

betwist, en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn

oordeelsvorming. De Raad voegt er enkel aan toe dat het besluit

d.d. 13 december 1996 berust op gronden, ontleend aan artikel

9, tweede lid onder b en onder c, van de Abw.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het besluit

d.d. 13 december 1996 vernietigd allereerst omdat artikel 9,

tweede lid onder b, van de Abw in het geval van appellant niet

van toepassing is en voorts omdat het strijdt met artikel 7:12

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertoe is overwogen,

in het kort, dat de aanvraag van appellant alleen kan worden

beoordeeld aan de hand van artikel 9, tweede lid aanhef en

onder c, van de Abw en dat gedaagde onvoldoende onderzoek heeft

gedaan naar de feitelijke en reële beschikbaarheid van

appellant voor de arbeidsmarkt, zodat het bestreden besluit niet

toereikend is gemotiveerd. Voorts heeft de rechtbank aanleiding

gevonden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de

Awb zelf in de zaak te voorzien, in deze zin dat zij, onder

herroeping van het primaire besluit, heeft beslist dat de

aanvraag om bijstand van appellant wordt afgewezen. Dit vindt

grond in de overweging van de rechtbank dat, indien appellant

gebruik had gemaakt van de in zijn geval bestaande mogelijkheid

de voltijdopleiding biologie te volgen, hij aanspraak had

kunnen maken op financiering ingevolge de Wet op de

studiefinanciering (WSF); aangezien, aldus de rechtbank, deze financiering

als een voorliggende voorziening in de zin als bedoeld in artikel 17, eerste lid,

van de Abw moet worden aangemerkt, vormt dit voorschrift een beletsel voor

een recht van appellant op een bijstandsuitkering.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten

onrechte op grond van het voorschrift van artikel 17, eerste

lid, van de Abw heeft beslist dat zijn aanvraag om bijstand

wordt afgewezen en voorts dat hij op een dergelijke uitkering

wel recht kan doen gelden.

De Raad overweegt het volgende.

In de eerste plaats onderschrijft de Raad het oordeel van de

rechtbank dat het bepaalde in artikel 9, tweede lid onder b,

van de Abw niet kan dienen als afwijzingsgrond van de aanvraag

van appellant, aangezien appellant nu eenmaal een vorm van

onderwijs volgde - wetenschappelijk onderwijs in deeltijd - die

niet valt onder het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk II van de WSF.

Voorts acht de Raad juist dat de rechtbank het bestreden

besluit inhoudelijk heeft beoordeeld met toepassing van artikel

9, tweede lid aanhef en onder c, van de Abw en volgt hij ook de

rechtbank in haar conclusie dat gedaagde onvoldoende feitelijk

onderzoek heeft gedaan ter beantwoording van de vraag of

appellant gezien dat voorschrift recht op een bijstandsuitkering heeft.

Hierbij neemt de Raad nog het volgende in aanmerking.

Naar de woorden van artikel 9, tweede lid aanhef en onder c,

van de Abw heeft geen recht op algemene bijstand degene, wiens

voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per

week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen

van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft

een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste

lid, onderdeel g.

Het voorschrift van artikel 9, tweede lid onder c, is bij de

Wet van 21 december 1995, Stb. 691, in de Abw toegevoegd in

verband met het afschaffen van het recht op kinderbijslag op

basis van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) voor kinderen

ouder dan 18 jaar; anders echter dan in de AKW ter zake was

geregeld, bevat artikel 9, tweede lid onder c, van de Wet niet

een leeftijdsgrens. Aan de wetsgeschiedenis van de Wet van 21

december 1995 kan nog worden ontleend dat onder het volgen van

onderwijs wordt verstaan het volgen van lessen en het

verrichten van stage.

In het voetspoor van zijn uitspraak van heden in het geding

nummer 98/1198 NABW, is de Raad ook hier van oordeel dat de

vraag, of in het geval van appellant de voor werkzaamheden

beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag

wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs

of van een beroepsopleiding, beantwoord dient te worden met

inachtneming van objectieve dan wel objectiveerbare gegevens

betreffende de studielast van de studie in concreto (inclusief

eventueel verleende vrijstellingen) zoals blijkt uit officiële

gegevens terzake van de betrokken onderwijsinstelling.

Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat gedaagde niet heeft

onderzocht wat de studielast in het studiejaar 1996/1997 van de

door appellant gevolgde deeltijdstudie was. Terecht derhalve

heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd omdat het

strijdt met artikel 7:12 van de Awb.

De Raad komt vervolgens toe aan de vraag of de rechtbank

terecht heeft beslist dat de aanvraag om bijstand van appellant

op grond van artikel 17, eerste lid, van de Abw wordt afgewezen.

Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend.

Gezien naar artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen

recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op

een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel,

wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

De Raad is evenwel van oordeel dat - zoals hiervoren al is

vastgesteld - appellant een studie volgt die niet in de termen van hoofdstuk

II van de WSF valt. Daarom kan appellant niet daadwerkelijk een

beroep op studiefinanciering doen. Reeds dit gegeven staat

eraan in de weg dat de aanvraag van appellant met toepassing

van artikel 17, eerste lid, van de Abw wordt afgewezen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen

uitspraak niet in stand gelaten kan worden, met dien verstande

dat dit geen betrekking heeft op de in het dictum van de

aangevallen uitspraak voorts opgenomen beslissingen inzake

griffierecht en proceskosten, en dat ook het bestreden besluit moet

worden vernietigd, dit, naar de opvatting van de Raad, wegens

strijd niet alleen met artikel 7:12 maar ook met artikel 3:2 van de Awb.

Appellant heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de schade

aan zijn kant op grond van artikel 8:73 van de Awb.

Uit het hiervoor overwogene blijkt evenwel dat het bestreden

besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de

totstandkoming ervan en dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen.

Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over

mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe

het nieuwe besluit zal gaan luiden.

Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit, zeker indien

het komt tot toekenning van bijstand aan appellant, tevens

aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen

zijn om schade te vergoeden.

Het verzoek van appellant zal de Raad dan ook afwijzen.

De Raad acht wel termen aanwezig om op grond van artikel 8:75

van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van

appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 6,24

aan reiskosten.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover

daarin over vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in

eerste aanleg is beslist;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming

van deze uitspraak;

Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het gestorte

recht van f 160,-- vergoedt;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger

beroep tot een bedrag groot f 6,24, te betalen door de gemeente Utrecht.

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr Ch. de Vrey en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als

leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als

griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.C. de Wit.

BvW/HL

315