Afwijzing aanvraag IOAZ-uitkering omdat appellant de aanvraag heeft gedaan na beëindiging van zijn bedrijf.
98/317 NIOAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 16 december 1997 tussen partijen gewezen uitspraak nr. ABW 97/2380/39, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij brief van 23 september 1998 meegedeeld het in de aangevallen uitspraak ingenomen standpunt te onderschrijven.
Het geding is - gevoegd met twee andere gedingen tussen partijen waarin heden afzonderlijk uitspraak wordt gedaan - behandeld ter zitting van 30 november 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr D. Simons, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr I. van Kesteren, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten naar de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de datum van het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit moet worden gewijzigd in
25 november 1996.
In geding is de vraag of het bestreden besluit van
10 januari 1997 in rechte stand kan houden.
De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en daartoe onder meer overwogen dat de bij brief van 12 mei 1996 gedane aanvraag van appellant om een uitkering krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) afstuit op het bepaalde in artikel 5, tweede lid aanhef en ten vierde, van de IOAZ, nu appellant zijn aanvraag heeft gedaan na beëindiging van zijn bedrijf.
De Raad onderschrijft dit oordeel. Hij deelt niet het standpunt van appellant dat evenvermelde bepaling alleen in de weg zou staan aan een toekenning van IOAZ-uitkering aan hem met terugwerkende kracht tot een vóór de datum van de aanvraag gelegen datum. Bedoeld voorschrift is immers als voorwaarde geformuleerd voor het recht op uitkering voor de categorie van gewezen zelfstandigen waartoe hij behoort, namelijk die omschreven in artikel 2, eerste lid aanhef en onder a, van de IOAZ.
Het vorenstaande leidt de Raad reeds tot de slotsom dat het bestreden besluit terecht in stand is gelaten. Hetgeen overigens in dat besluit is overwogen kan daarom verder onbesproken blijven.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en
mr G.A.J. van den Hurk en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van
mr I. de Hartog als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2000.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) I. de Hartog.
HL
501