Overname van betalingsverplichtingen werkgever. Proceskostenvergoeding.
98/1559 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 20 mei 1998 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht op 5 januari 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft op 31 augustus 1998 een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft zowel appellant als gedaagde nadere informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 januari 2000, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr R.H.A.J. Cremers, werkzaam bij Gak Nederland bv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die ook de rechtbank in rubriek II van de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.
Het door gedaagde op 10 januari 1997 genomen besluit op bezwaar (het bestreden besluit) heeft betrekking op de appellant toekomende uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW, terzake van de overneming van betalingsverplichtingen voortvloeiend uit appellants dienstbetrekking als advocaat-medewerker met de besloten vennootschap Mr Georg A. Winters B.V., aan welk dienstverband op 8 juli 1996 een einde is gekomen.
Het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep was gericht tegen de vaststelling door gedaagde van:
- de aanspraak op achterstallig salaris over de periode van 1 tot en met 7 juli 1996,
- de op die periode betrekking hebbende vakantietoeslag en
- de waarde van de niet opgenomen vakantiedagen.
In het bij de rechtbank ingediende beroepschrift heeft appellant expliciet aangegeven dat het beroep niet was gericht tegen de hoogte van de door gedaagde in aanmerking genomen provisie.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak alle door appellant aangevochten onderdelen van het bestreden besluit in stand gelaten.
In hoger beroep is appellant wederom opgekomen tegen gedaagdes standpunt betreffende de hoogte van zijn aanspraak op salaris en vakantietoeslag over de periode 1 tot en met 7 juli 1996 en de waarde van de door hem niet opgenomen vakantiedagen. Tevens heeft hij gesteld dat de rechtbank ambtshalve de vaststelling van de in aanmerking te nemen provisie in haar beoordeling had moeten betrekken. Ten slotte heeft hij de Raad verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de door hem als gevolg van het bijwonen van de zittingen van de rechtbank en de Raad gederfde inkomsten uit zijn, inmiddels als zelfstandige gevoerde, advocatenpraktijk.
Omtrent de door appellant in hoger beroep aan de orde gestelde punten overweegt de Raad als volgt.
Allereerst moet worden vastgesteld dat gedaagde naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1998 in de zaak Regeling aan appellant alsnog een bedrag ter waarde van 2,5 vakantiedagen heeft nabetaald. Gedaagde is aldus, naar door appellant ter zitting van de Raad is bevestigd, volledig aan diens bezwaren tegen het desbetreffende onderdeel van het bestreden besluit tegemoet gekomen. Derhalve dient het hoger beroep, nu daarbij in zoverre geen belang meer bestaat, op dit punt voor niet-ontvankelijk te worden gehouden.
Uitgaande van het gegeven dat de maand juli 1996 totaal 23 werkdagen telt en de periode van 1 tot en met 7 juli 1996 5 werkdagen bevat, heeft gedaagde de hoogte van de over laatstgenoemde periode over te nemen salarisaanspraak berekend als 5/23 x 21,75 x het loon per dag.
Appellant heeft er bezwaar tegen dat door gedaagde als uitgangspunt is genomen dat de aanspraak moet worden berekend naar evenredigheid van het totale aantal werkdagen in de maand juli 1996. Appellant is primair van opvatting dat de berekening had moeten luiden 5/21,75 x het maandloon en, subsidiair, voor het geval rekening zou moeten worden gehouden met het feitelijk aantal werkdagen in juli 1996, de factor 7/31 had moeten worden gehanteerd, daar zijn werkweek als advocaat zeven dagen per week zou beslaan.
De Raad kan de door gedaagde gevolgde berekeningswijze die, naar ter zitting is uiteengezet, als vaste gedragslijn wordt toegepast, niet voor onjuist houden. Mede in aanmerking genomen dat uit het door appellant terzake ingenomen primaire standpunt blijkt dat hij het er op zichzelf mee eens is dat de in geding zijnde berekening is gebaseerd op vijf werkdagen per week, is de Raad van oordeel dat gedaagde niet kan worden tegengeworpen dat hij de door appellant voorgestane berekeningsmethoden niet heeft overgenomen.
De Raad is voorts van oordeel dat appellants bezwaar tegen de hoogte van de door gedaagde terzake van vakantietoeslag toegekende uitkering geen doel treft, nu gedaagde die toeslag heeft berekend overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen.
De Raad kan appellant evenmin volgen in diens grief dat de rechtbank zich niet had mogen onthouden van een oordeel omtrent de voor uitkering in het kader van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komende provisie. Appellant heeft immers in het kader van de gedingvoering in eerste aanleg uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zijn beroep geen betrekking op die post had.
Indien de rechtbank dat onderdeel desondanks in haar beoordeling zou hebben betrokken, zou zij getreden zijn buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil en de betekenis van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben miskend. Appellant gaat er voorts aan voorbij dat de curator in het faillissement van zijn voormalige werkgever, die tegen het onderwerpelijke aspect van het bestreden besluit beroep heeft ingesteld, daarin niet-ontvankelijk is verklaard.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de aan appellant toegekende uitkering terzake van niet opgenomen vakantiedagen en dat de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigd dient te worden.
In verband met het feit dat gedaagde op het punt van de uitkering terzake van achterstallige vakantiedagen aan het beroep van appellant is tegemoet gekomen, acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.
Nu er geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kan die veroordeling, ook al is appellant zelf advocaat, geen betrekking hebben op kosten van rechtsbijstand. Ten aanzien van de door appellant op het zogeheten formulier proceskosten opgevoerde verletkosten wegens het verschijnen ter zitting van de rechtbank en van de Raad overweegt de Raad allereerst dat appellant geen gevolg gegeven heeft aan de uitdrukkelijke vermelding op dat formulier dat bewijsstukken betreffende gestelde verletkosten uiterlijk bij de aanvang van de zitting dienen te worden overgelegd. Ook overigens is voor de Raad niet aannemelijk geworden dat appellant als gevolg van het bijwonen van beide zittingen kosten heeft moeten maken ten behoeve van zijn advocatenpraktijk of daarin minder omzet heeft gehaald.
Wel dienen de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het bijwonen van genoemde zittingen door gedaagde te worden vergoed. Deze kosten moeten worden berekend op basis van artikel 2, eerste lid, aanhef en sub c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarin het desbetreffende onderdeel van het Besluit tarieven in strafzaken van overeenkomstige toepassing is verklaard, hetgeen neerkomt op een vergoeding ter hoogte van de kosten van de laagste klasse van het openbaar vervoer. Dit resulteert in casu in een bedrag van f 22,11 voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank en een bedrag van f 73,86 voor het verschijnen ter zitting van de Raad.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dit de aan appellant toegekende uitkering wegens niet genoten vakantiedagen betreft;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot f 22,11 en in hoger beroep tot een bedrag groot f 73,86.
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 50,- in beroep en f 160,-- in hoger beroep vergoedt.
Aldus gewezen door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2000.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) I. de Hartog.
JdB
1702