ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8707
public
2018-03-12T07:49:34
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8707
AL1099
Centrale Raad van Beroep
2000-03-14
98/4544 ABW + 98/4546 ABW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Algemene bijstandswet 3
Algemene bijstandswet 30
Rechtspraak.nl
RSV 2000, 103
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8707
public
2017-10-27T16:38:43
2017-10-27
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8707 Centrale Raad van Beroep , 14-03-2000 / 98/4544 ABW + 98/4546 ABW

Maatregel. Niet opgeven van inkomen en in bezit van auto met een aanzienlijke waarde op naam van appellante. In een besluit tot oplegging van een maatregel behoort uit een oogpunt van rechtszekerheid behalve de grondslag van de maatregel en de omvang en duur daarvan ook te worden vermeld met ingang van welke datum de uitkering zal worden verlaagd.

98/4544 ABW

98/4546 ABW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente

Helmond, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellante heeft mr C.J. Hamburger, advocaat te

Amsterdam, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger

beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te

's-Hertogenbosch op 1 april 1998 tussen partijen gewezen

uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en de Raad bij

brief van 6 december 1999 nadere informatie doen toekomen.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op

1 februari 2000, waar appellante niet is verschenen en gedaagde

zich heeft doen vertegenwoordigen door mr D. Slegers, werkzaam

bij de gemeente Helmond.

II. MOTIVERING

Bij brief van 24 oktober 1995, verzonden op 31 oktober 1995,

heeft gedaagde aan appellante kennis gegeven van het besluit om

de uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) welke zij

sedert 26 oktober 1993 ontving, gedurende twee maanden met 20%

van de voor haar geldende norm te verlagen, op de grond dat zij

heeft nagelaten voor de uitkering relevante gegevens inzake

inkomsten en vermogen door te geven. In dezelfde brief is aan

appellante medegedeeld dat zij over de periode van 24 februari

1994 tot en met 31 juli 1995 ten onrechte bijstand heeft

ontvangen en het ten onrechte ontvangen bedrag terug dient te

betalen.

Nadat appellante tegen beide onderdelen van dit besluit een

afzonderlijk bezwaarschrift had ingediend, heeft gedaagde bij

besluit van 23 februari 1996 (besluit I) de bezwaren tegen de

opgelegde maatregel ongegrond verklaard, en bij besluit van

dezelfde datum het bezwaar tegen het besluit tot terugvordering

van de ten onrechte genoten uitkering deels ongegrond en deels

niet-ontvankelijk verklaard (besluit II).

De rechtbank heeft het door appellante ingediende beroep tegen

besluit I gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor

zover het de grondslag van de maatregel betreft, omdat ten

onrechte artikel 1, tweede lid, van de ABW als wettelijke

grondslag van de maatregel is genoemd. De rechtbank heeft

aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde deel

van besluit I in stand te laten, omdat toepassing van de

bevoegdheid neergelegd in artikel 3, vijfde lid, van de ABW tot

geen andere dan de toegepaste maatregel zou leiden, en gedaagde

in redelijkheid tot het opleggen van die maatregel heeft kunnen

overgaan.

De vraag of besluit II in rechte kan worden gehandhaafd is door

de rechtbank bevestigend beantwoord, op de grond dat tegen een

besluit tot terugvordering van bijstand vóór 1 juli 1997 geen

bezwaar of beroep openstond.

Appellante kan zich blijkens het gestelde in het

beroepschrift niet verenigen met het oordeel van de rechtbank

met betrekking tot de opgelegde maatregel en de terugvordering.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Gedaagde is tot het opleggen van een maatregel overgegaan op

grond van de bevindingen van een in 1995 door het Buro Sociale

Recherche ingesteld onderzoek. Daaruit kwam naar voren dat

appellante per 1 december 1994 als oproepkracht en per 1

januari 1995 als vaste medewerker in dienst was getreden bij

een confectiebedrijf. Verder bleek in de periode van 24

februari tot en met 8 september 1994 een auto van het merk

Mercedes Benz met een aanzienlijke waarde op haar naam te

hebben gestaan.

Evenals gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat

appellante door van haar werkzaamheden, de daaruit genoten

inkomsten en het bezit van een Mercedes geen mededeling te doen

aan het bijstandsverlenend orgaan, de ingevolge artikel 30,

tweede lid, van de ABW op haar rustende rechtsplicht heeft

geschonden, en dat dit voldoende grond opleverde om een

maatregel op te leggen. De Raad deelt voorts het standpunt van

de rechtbank dat de grondslag van een maatregel wegens

schending van de informatieplicht hier artikel 3, vijfde lid,

van de ABW in plaats van artikel 1, tweede lid, van de ABW

dient te zijn.

Naar het oordeel van de Raad komt besluit I echter niet alleen

wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar ook om een

andere reden voor vernietiging in aanmerking. Daartoe overweegt

de Raad, dat in een besluit tot oplegging van een maatregel uit

een oogpunt van rechtszekerheid behalve de grondslag van de

maatregel en de omvang en duur daarvan ook behoort te worden

vermeld met ingang van welke datum de uitkering zal worden

verlaagd.

Aangezien in het primaire besluit noch in het besluit op

bezwaar de ingangsdatum van de maatregel is aangegeven, ziet de

Raad, anders dan de rechtbank, aanleiding om besluit I in zijn

geheel te vernietigen zonder de rechtsgevolgen van het te

vernietigen besluit in stand te laten. Gedaagde zal met

inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit dienen te nemen

op het bezwaarschrift van appellante dat gericht is tegen de

haar opgelegde maatregel. Daarbij wijst de Raad erop dat een

maatregel als hier aan de orde niet eerder kan ingaan dan op de

datum dat de betrokkene van het daartoe strekkende besluit

heeft kunnen kennisnemen of zoveel eerder als die maatregel de

betrokkene is medegedeeld. Aangezien in dit geval niet is

gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat in

afwijking van dit algemene uitgangspunt aanleiding bestaat om

de maatregel met terugwerkende kracht op te leggen kan, gelet

op de datum van verzending van het primaire besluit, de

ingangsdatum van de maatregel niet op een vóór 1 november 1995

gelegen datum worden gesteld.

In dit geding ten overvloede overweegt de Raad dat hij de in

dit geval toegepaste verlaging van 20% gedurende twee maanden,

waarbij rekening is gehouden met de - met inachtneming van het

vrij te laten bescheiden vermogen bepaalde - omvang van de

fraude, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke

omstandigheden van appellante, niet onevenredig acht.

Ten aanzien van de terugvordering overweegt de Raad, dat de

rechtbank terecht heeft geoordeeld dat tegen vóór

1 juli 1997 genomen besluiten, strekkende tot terugvordering

van teveel of ten onrechte genoten bijstand geen rechtsmiddel

openstond. De Raad stelt evenwel vast dat besluit II deels

strekt tot ongegrondverklaring en deels tot

niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren, zodat dit besluit

niet in stand kan blijven. De Raad zal, doende hetgeen de

rechtbank had behoren te doen, met gegrondverklaring in zoverre

van het beroep en vernietiging van besluit II, de bezwaren van

appellante op dit punt alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van

de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de

proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden

begroot op f 710,-- voor verleende rechtsbijstand.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de navolgende

beslissing.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover

daarin beslissingen zijn gegeven over proceskosten en

griffierecht;

Verklaart de inleidende beroepen alsnog gegrond en vernietigt

de bestreden besluiten van 23 februari 1996;

Verstaat dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een

nieuw besluit zal nemen op het bezwaarschrift van appellante

tegen het besluit van 24 oktober 1995, voor zover dit

betrekking heeft op de verlaging van haar bijstandsuitkering;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 1995,

voor zover dit de terugvordering van bijstand betreft, alsnog

niet-ontvankelijk;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger

beroep tot een bedrag groot f 710,--, te betalen door de

gemeente Helmond;

Bepaalt dat de gemeente Helmond aan appellante het in hoger

beroep gestorte recht van f 160,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr

Ch. de Vrey en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in

tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken

in het openbaar op 14 maart 2000.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) D. Nebbeling.

HL

603