ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8714
public
2018-08-25T08:30:44
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8714
Centrale Raad van Beroep
2000-03-31
98/7381 ZFW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 3
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 3
Ziekenfondswet 8
Rechtspraak.nl
AB 2000, 263
USZ 2000/129
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8714
public
2013-04-08T13:56:55
2002-10-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8714 Centrale Raad van Beroep , 31-03-2000 / 98/7381 ZFW

-

98/7381 ZFW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellante,

en

de onderlinge waarborgmaatschappij Onderlinge Verzekeringsmaatschappij Univé

Zorgverzekeraar u.a., gevestigd te Alkmaar, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met een brief van van 28 augustus 1997 heeft gedaagde geweigerd de door appellante

gemaakte kosten terzake van een medische behandeling in Duitsland te vergoeden.

Gedaagde heeft naar aanleiding van het namens appellante tegen voormeld

ingediend bezwaarschrift bij besluit van 25 maart 1998 dit standpunt gehandhaafd.

De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft het tegen dat besluit ingestelde

beroep bij uitspraak van 17 september 1998 ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr L.E. de Geer, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand

Verzekeringmaatschappij N.V., tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde is een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Namens partijen zijn nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 februari

2000, waar partijen (na voorafgaand schriftelijk bericht) niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde met het bestreden besluit

terecht en op goede gronden heeft geweigerd de kosten van de medische

behandeling die appellante in Duitsland heeft ondergaan te vergoeden.

De Raad overweegt het volgende.

Namens appellante is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat appellante in

juni 1997 en in juli 1997 in Nederland een operatie heeft ondergaan in

verband met borstkanker. In plaats van de normale nabehandeling bij een

ingreep als deze, bestaande uit postoperatieve radiotherapie, die ook door de

behandelende artsen aan appellante is geadviseerd, heeft appellante gekozen

voor een zogenoemde biologische behandeling bestaande uit een streng dieet en

het toedienen van een aantal medicijnen. Deze behandeling wordt gegeven door

Dr.med. Waltraut Fryda, te Kreuth in Duitsland. Appellante heeft ongeveer

zeven weken deze behandeling met succes bij dokter Fryda in haar instituut

gevolgd. Daarna moest zij thuis nog bij die behandeling voorgeschreven

medicijnen gebruiken, welke vervolgbehandeling wel door gedaagde is vergoed.

De gemachtigde van appellante heeft primair als grief naar voren gebracht dat

de biologische behandeling door dokter Fryda, anders dan de rechtbank in de

aangevallen uitspraak heeft overwogen, aangemerkt dient te worden als een

verstrekking in de zin van de Ziekenfondswet (ZFW). Appellante heeft daarbij

stukken overgelegd ter informatie over de inhoud van de behandeling en ter

ondersteuning van haar standpunt dat de haar behandelend artsen in Nederland

deze behandeling als een zinvol alternatief zagen en dat deze behandeling

wetenschappelijk is bewezen.

Namens gedaagde is in het verweerschrift onder andere aangevoerd dat de

behandeling van dokter Fryda geen verstrekking is in de zin van de ZFW, omdat

het een behandeling is die niet gebruikelijk is in de kring der

beroepsgenoten. Tevens is aangevoerd dat niet is gebleken dat deze

behandeling gebruikelijk is in de kring der Duitse beroepsgenoten en dat

dokter Fryda zelf aangeeft dat haar behandelingsmethode "nicht erkannt ist".

Het geschil spitst zich eerst toe op de vraag of de behandeling, die

appellante in Duitsland heeft ondergaan, een verstrekking is die op grond van

artikel 3, onder a en b, van het Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering

voor vergoeding in aanmerking komt. Daarvoor is op grond van laatstgenoemd

artikel maatgevend of die behandeling kan worden aangemerkt als "in de kring

van beroepsgenoten gebruikelijk".

De Raad stelt voorop dat ten aanzien van voormeld begrip beroepsgenoten

overeenkomstig vaste rechtspraak moet worden uitgegaan van de beroepsgenoten

in Nederland, waarbij de Raad ervan uit gaat dat deze zich beroepshalve op de

hoogte stellen van zich elders voordoende ontwikkelingen op hun vakgebied.

Daarvan uitgaande is de Raad op grond van de beschikbare gegevens, waaronder

met name de brief d.d. 3 maart 1999 van F.J.P. Hoebers, arts-assistent

radiotherapie en dr E.J.Th. Rutgers, chirurg, beiden werkzaam bij het

Nederlands Kanker Instituut/Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis te Amsterdam

(waar appellante in 1997 medisch is behandeld) alsmede de brief d.d. 18

februari 1998 van Dr.med. W. Fryda, van oordeel dat voormelde vraag

ontkennend moet worden beantwoord.

Uit deze stukken blijkt dat voormelde artsen van het Nederlands Kanker

Instituut niet afwijzend staan tegen de door appellante gewenste biologische

behandeling, maar dat zij wegens het ontbreken van (wetenschappelijk) bewijs

over de werking van deze behandeling, op medische gronden geen indicatie zien

om deze behandeling in geval van borstkanker voor te schrijven, alsmede dat

voormelde behandelend arts in Duitsland aangeeft dat haar biologische

behandeling (in februari 1998) nog geen (in Duitsland) erkende therapie was.

De door appellante in hoger beroep als produktie 4 bij het aanvullend

beroepschrift in het geding gebrachte stukken (ter ondersteuning van haar

standpunt dat de biologische behandeling wel degelijk wetenschappelijk is

bewezen) hebben in het licht van de overige beschikbare gegevens niet kunnen

leiden tot een ander oordeel van de Raad.

Nu de litigieuze behandeling niet als verstrekking ingevolge de ZFW kan

worden aangemerkt en reeds om die reden niet voor vergoeding op grond van de

ZFW in aanmerking komt, behoeft de namens appellante in dit geding tevens aan

de orde gestelde vraag of - kort gezegd - appellante op grond van artikel 60

van het EG-verdrag recht had op een verstrekking in Duitsland, geen verdere bespreking.

Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de aangevallen

uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr D.J. van der Vos en

mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster als

griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. van 't Klooster.

JdB

1703