ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731
public
2018-08-25T08:30:44
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8731
Centrale Raad van Beroep
2000-03-01
98/4463 Anw
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Civiel recht; Personen- en familierecht
Algemene nabestaandenwet 4
Grondwet 93
Grondwet 94
Rechtspraak.nl
RSV 2000, 173
USZ 2000/106
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731
public
2013-04-08T13:56:57
2000-12-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731 Centrale Raad van Beroep , 01-03-2000 / 98/4463 Anw

-

98/4463 Anw

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 10 september 1997 heeft gedaagde, na bezwaar,

gehandhaafd zijn besluit van 23 mei 1997, waarbij hij heeft

geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Algemene

nabestaandenwet (Anw) toe te kennen.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van

8 mei 1998 het beroep tegen het besluit van

10 september 1997 ongegrond verklaard.

Op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 8

oktober 1998, is namens appellante gevorderd de uitspraak van de

rechtbank te vernietigen.

Bij memorie van 6 november 1998 heeft gedaagde verweer gevoerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van

2 februari 2000. Appellante is daar in persoon verschenen,

bijgestaan door haar raadsman mr A.H.J. Neels, advocaat te

Vlissingen. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde

mr P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

Blijkens haar opgave is appellante gehuwd geweest met

C, geboren in 1957 en overleden in 1997. Het huwelijk was in 1993

geëindigd door echtscheiding.

Op de aanvraag om nabestaandenuitkering terzake van het

overlijden van C heeft gedaagde, althans ten aanzien van

appellante zelf, afwijzend beslist. Daarbij is overwogen dat zij

met de overledene geen gezamenlijke huishouding voerde en deze

niet verplicht was aan haar alimentatie te betalen.

Appellante vecht deze weigering aan.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 4 van de Anw luidt:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt in

afwijking van artikel 3 onder nabestaande mede verstaan de

gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde, indien:

a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en

b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het

overlijden verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of

overeenkomst, vastgelegd in een notariële akte of een akte mede

ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan

de gewezen echtgenoot op grond van Boek 1 van het Burgerlijk

Wetboek; en

c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze wet

recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het

overlijden plaats zou hebben gehad op de dag van ontbinding van

het huwelijk anders dan door de dood.".

Vast staat dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om op

grond van deze bepaling als nabestaande te worden aangemerkt,

omdat C jegens haar niet alimentatieplichtig was. Dit wordt van

de zijde van appellante niet bestreden.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd:

"Van de zijde van appellante is destijds gesteld dat, zo zij zou

hebben geweten wat de gevolgen van de echtscheiding in het kader

van de ANW zouden zijn geweest, zij scheiding van tafel en bed

zou hebben gevorderd.

Voor een uiteenzetting ter zake wordt verwezen naar de gronden

voor het bezwaar dat destijds is ingediend bij de SVB bij brief

van 15 juli 1997 die als prod. 1 wordt bijgevoegd.

Voor de motivering van de mening van appellante dat de

Nederlandse rechter wel degelijk, ondanks artikel 120 van de

Grondwet, formele wetgeving kan toetsen aan die Grondwet wordt

verwezen naar de hierbij als prod. 2 overgelegde pleitnotities

die namens de gemachtigde van appellante zijn voorgedragen

door diens kantoorgenoot, mr M.C.M.E. Schijvenaars.

Uit die uiteenzetting volgt dat het EVRM,

gezien in verband met de Universele Verklaring van de Rechten van

de Mens, de mogelijkheid biedt tot grondwettelijke toetsing van

een wet in formele zin.".

In de producties waarnaar in bovenaangehaald beroepschrift is

verwezen is, samengevat, het volgende betoogd:

- de Anw ontbeert een behoorlijke overgangsregeling voor gevallen

als het onderhavige en moet daarom deels als onrechtmatige

regelgeving worden beschouwd;

- ook wetten in formele zin moeten voldoen aan in het

internationaal rechtsbewustzijn levende beginselen van

evenredigheid, gebrek aan willekeur en gelijkheid; verwezen is

in dat verband naar o.m. de Universele Verklaring van de rechten

van de mens.

De Raad stelt voorop dat hij bij zijn beoordeling van de

rechtmatigheid van gedaagdes besluit geen rekening houdt met

hypothetische situaties. Dat appellante mogelijk een ander,

positief, besluit zou hebben ontvangen als zij in 1993 van tafel

en bed was gescheiden, kan daarom in dit geding geen gewicht in

de schaal leggen.

Voorzover namens appellante bedoeld is te betogen dat de

Universele Verklaring van de rechten van de mens, middels de

verwijzing daarnaar in het Europees Verdrag inzake de rechten van

de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), toetsing van de wet

in formele zin aan de Grondwet mogelijk maakt, wijst de Raad erop

dat die Universele Verklaring niet kan worden aangemerkt als een

verdrag in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet,

zodat zij niet het toetsingsverbod van artikel 120 van de

Grondwet vermag te doorbreken (vgl. CRvB d.d. 9 juni 1995,

reg.nr AAW/WAO 1994/636). In aansluiting daarop overweegt de Raad

van oordeel te zijn dat hij evenmin de wet mag toetsen aan

beginselen van behoorlijke regelgeving (vgl. HR 14 april 1989,

AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest).

Ook overigens heeft de Raad in het betoog namens appellante geen

grondslag gevonden voor een toetsing van het bepaalde in artikel

4 van de Anw aan enige daarmee strijdige rechtsnorm.

Wel merkt de Raad nog op, dat de alimentatieverplichting van de

ex-echtgenoot in artikel 4 Anw de uitdrukking is van het meer

algemene aan de Anw ten grondslag liggende beginsel dat slechts

een rechtsgrond voor nabestaanden-uitkering aanwezig is in geval

de nabestaande daadwerkelijk financieel afhankelijk was van de

overledene. In zoverre kan aan die voorwaarde een objectief

gerechtvaardigd karakter niet worden ontzegd.

De Raad concludeert tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.

Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten op

de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en

mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid

van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het

openbaar op 1 maart 2000.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) J.J.B. van der Putten.

IS