ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8740
public
2018-08-25T20:28:13
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8740
Centrale Raad van Beroep
2000-03-17
97/4196 AAW/WAO
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid XVI
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid XVI
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57 (oud)
Rechtspraak.nl
USZ 2000/115
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8740
public
2013-04-08T13:56:59
2002-10-09
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8740 Centrale Raad van Beroep , 17-03-2000 / 97/4196 AAW/WAO

-

97/4196 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de

plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige

geval is het Lisv in de plaats getreden van de

Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en

Maatschappelijke Belangen (BVG). In deze uitspraak wordt onder

gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze

bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 11 juni 1996 heeft gedaagde van appellante een

bedrag van f 8.765,62 teruggevorderd, primair op de grond dat

door toedoen van appellante over de periode van 25 april 1993

tot 1 november 1994 onverschuldigd uitkering krachtens de Wet

op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is betaald.

Subsidiair heeft gedaagde over laatstgenoemde periode een

bedrag van f 5.239,32 teruggevorderd, omdat het appellante

redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan haar onverschuldigd

werd betaald. Daarnaast heeft gedaagde bij dat besluit van

appellante een bedrag van f 862,17 teruggevorderd op de grond

dat het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat over de

periode van 1 november 1994 tot 1 februari 1995 onverschuldigd

uitkeringen krachtens de WAO werden betaald.

Bij besluit van 25 oktober 1996 heeft gedaagde zijn besluit

van 11 juni 1996 gewijzigd in die zin dat het bedrag van f

8.765,62 wordt verminderd met 10% tot f 7.889,06, het bedrag

van f 5.239,32 met 10% wordt verminderd tot f 4.715,39 en het

bedrag van f 862,17 wordt verminderd met 10% tot f 775,95,

omdat gedaagde aan appellante tussen september 1991 en oktober

1994 geen enquêteformulier heeft gezonden. Tevens heeft

gedaagde bij dat besluit het volgende medegedeeld.

"Wij bieden u de mogelijkheid ons een voorstel te doen tot

terugbetaling of verrekening met de u nog toekomende

uitkering. Uw voorstel moet wel ertoe leiden dat onze

vordering binnen 12 maanden is voldaan. U dient dit met

redenen omkleed voorstel binnen zes weken na dagtekening van

deze beschikking aan ons te richten. Mocht u geen gebruik

maken van deze mogelijkheid, dan bepalen wij op welke wijze en

binnen welke termijn(en) u onze vordering moet voldoen.".

De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 9

april 1997 het beroep tegen het besluit van 11 juni 1996

gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, gedaagde in de

proceskosten van appellante ten bedrage van

f 710,- veroordeeld en gelast dat gedaagde aan appellante het

betaalde griffierecht ten bedrage van f 50,- vergoedt, en het

beroep tegen het besluit van 25 oktober 1996 ongegrond

verklaard.

Namens appellante is mr P.J. van 't Hoff, werkzaam bij

Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, op bij aanvullend

beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger

beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 11

mei 1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan

door mr P.J. van 't Hoff, en waar gedaagde

- zoals tevoren was bericht - niet is verschenen.

Omdat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft de Raad

het onderzoek heropend.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad

gehouden op 14 januari 2000, waar appellante - zoals te voren

was bericht - niet is verschenen en waar gedaagde - daartoe

ambtshalve opgeroepen - is verschenen bij gemachtigde mr S.I.

Zwanenburg, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.

II. MOTIVERING

Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak

van de rechtbank in zoverre daarbij het beroep tegen het

besluit van 25 oktober 1996 ongegrond is verklaard.

Tijdens de behandeling van het geding ter zitting d.d.

11 mei 1999 van de Raad heeft de gemachtigde van appellante

desgevraagd medegedeeld dat appellante niet (langer) betwist

dat gedaagde de bevoegdheid toekomt om de door gedaagde aan

haar onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen.

Zoals in het aanvullend beroepschrift namens appellante is

aangevoerd en op laatstgenoemde zitting van de Raad is

benadrukt, kan appellante zich niet verenigen met de wijze

waarop gedaagde van zijn bevoegdheid tot terugvordering

gebruik heeft gemaakt. In het aanvullend beroepschrift heeft

appellante daartoe het volgende aangevoerd.

"Door het terug te vorderen bedrag met slechts 10% te

verminderen heeft de bedrijfsvereniging in wezen te kennen

gegeven dat haar aandeel in de wederzijds gemaakte fouten 10%

bedraagt tegenover een aandeel van appellante van 90%. De

rechtbank is terecht tot de overtuiging gekomen dat bij

appellante iedere opzet tot benadeling van de

bedrijfsvereniging heeft ontbroken. In goed vertrouwen is zij

ervan uitgegaan dat de door de werkgever aan de

bedrijfsvereniging verstrekte gegevens gezien de koppelingen

tussen computerbestanden ook zouden worden gebruikt in het

kader van haar aanspraak op een

arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het komt appellante voor dat

in dezen een vermindering van het terug te vorderen bedrag met

50% een evenredige afspiegeling is van zowel haar aandeel in

het gebeurde als van dat van de bedrijfsvereniging.".

De Raad overweegt allereerst dat het thans nog in geding

zijnde terugvorderingsbesluit dateert van na 1 augustus 1996.

De onverschuldigde betalingen die hebben geleid tot dat

besluit hebben plaatsgehad voor 1 augustus 1996. Ingevolge

artikel XVI, eerste lid, van de Wet boeten, maatregelen en

terug- en invordering sociale zekerheid (Staatsblad 1996,

248), dient de bevoegdheid tot terugvordering alsmede de wijze

waarop gedaagde van die bevoegdheid tot terugvordering gebruik

heeft gemaakt, te worden getoetst aan het recht zoals dat gold

voor 1 augustus 1996.

Zoals reeds blijkt uit het vorenstaande is tussen partijen

niet langer in geschil - en ook die Raad is die opvatting

toegedaan - dat appellante niet heeft voldaan aan haar

mededelingsverplichting en dat zij redelijkerwijs kon

begrijpen dat in de betreffende periode onverschuldigd

uitkeringen aan haar werden betaald.

De Raad dient derhalve thans de vraag te beantwoorden of de

wijze waarop gedaagde gebruik heeft gemaakt van zijn

bevoegdheid tot terugvordering, de rechterlijke toetsing kan

doorstaan.

De Raad overweegt dienaangaande naar aanleiding van de grieven

van appellante het volgende.

Gedaagde heeft op grond van artikel 57 (oud) van de WAO een

beleid ontwikkeld. Dit beleid houdt onder meer in dat het

terugvorderingsbedrag met 10% wordt gematigd, indien er niet

elk jaar enquêteformulieren aan de betrokkene zijn verstuurd

en er geen sprake is van fraude of kennelijke opzet. De Raad

stelt vast dat het besluit van 25 oktober 1996 in

overeenstemming is met dat beleid. Naar het oordeel van de

Raad blijft dat beleid en de daarin vervatte belangenafweging

in beginsel binnen de grenzen van een redelijke

beleidsbepaling.

Voorts kan de Raad het standpunt van appellante niet

onderschrijven dat gedaagde in haar geval had moeten afwijken

van zijn beleid. Wat er ook zij van de opvatting van

appellante dat gedaagde - in het kader van de

premieheffing - op de hoogte was van haar werkzaamheden en inkomsten, omdat

haar werkgever bij de BVG was aangesloten en omdat op de

statusoverzichten is vermeld dat de BVG op de hoogte is van de

inkomsten van appellante, zulks laat onverlet dat appellante

ernstig te kort geschoten is in de nakoming van de op haar

rustende mededelingsplicht en dat het haar overigens duidelijk

moet zijn geweest dat onverschuldigd aan haar werd betaald.

Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat gedaagde

door het terugvorderingsbedrag met 10% te verminderen in

voldoende mate rekening heeft gehouden met het gegeven dat in

1992 en 1993 geen enquêteformulier aan appellante is

toegezonden en dat gedaagde derhalve in redelijkheid tot de

onderhavige belangenafweging heeft kunnen komen.

Dit betekent dat bovenvermelde vraag door de Raad bevestigend

wordt beantwoord.

Namens appellante is ter zitting d.d. 11 mei 1999 van de Raad

aangevoerd dat het bestreden besluit niet de termijn of

termijnen vermeld, waarbinnen moet worden betaald, zoals is

vereist op grond van artikel 57, derde lid, van de WAO, zoals

dit ten tijde van het bestreden besluit luidde.

In dat verband overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten,

maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid blijft

op besluiten die zijn bekendgemaakt voor 1 augustus 1996, het

recht van toepassing zoals dit voor die datum gold.

In de Tica-circulaire nr. C.96.03 van 21 februari 1996 is deze

bepaling als volgt uitgelegd:

"Uit bovengenoemd tweede lid volgt allereerst dat ten aanzien

van besluiten tot terugvordering of verrekening die voor de

invoeringsdatum zijn bekendgemaakt, de nieuwe wettelijke

bepalingen niet van toepassing zijn. Concreet betekent dit

bijvoorbeeld dat dergelijke besluiten tot terugvordering geen

executoriale titel opleveren, dat voor de tenuitvoerlegging

van die terugvorderingsbesluiten de artikelen 27g WW e.d. niet

gelden en dat het "Besluit betaling en tenuitvoerlegging

terugvordering en boeten" van het Tica op die besluiten niet

van toepassing is.

A contrario valt uit het tweede lid van artikel XVI af te

leiden dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering of

verrekening die op of na de invoeringsdatum zijn

bekendgemaakt, het nieuwe recht van toepassing is, ook als het

gaat om voor de invoeringsdatum gedane onverschuldigde

betalingen.

Door de wetgever wordt het beginsel van onmiddellijke werking

gehanteerd. Op dergelijke besluiten is bijvoorbeeld dan ook

het nieuwe recht met betrekking tot de tenuitvoerlegging van

het terugvorderingsbesluit volledig van toepassing (het

besluit levert een executoriale titel op, bij gebreke van

tijdige terugbetaling wordt het bedrag van de terugvordering

verhoogd met rente en incassokosten etc.). Alleen de vraag of

terugvordering wel mogelijk is, zal ten aanzien van vóór de

invoeringsdatum gedane betalingen beoordeeld moeten worden aan

de hand van de voorheen geldende wettelijke bepalingen.".

Blijkens de gedingstukken en verhandelde ter zitting van 14

januari 2000 heeft gedaagde zich bij deze uitleg van het

tweede lid van genoemd artikel XVI aangesloten. Ook de Raad

houdt deze uitleg, mede gelet op de aard van een besluit tot

effectuering van een terugvordering, voor juist.

Dat betekent dat op het onderhavige besluit tot terugvordering

het bepaalde in artikel 57, derde lid, van de WAO, zoals

destijds luidend, van toepassing is. Ingevolge dit artikellid

dient een besluit tot terugvordering onder meer te vermelden

de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald,

alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige betaling zal

worden ten uitvoer gelegd op de wijze als omschreven in

artikel 57a van die wet.

Zoals de Raad reeds zijn uitspraak van 21 september 1999,

gepubliceerd in USZ 1999/348 en AB 1999, nr.464, heeft

overwogen, kan alleen in het geval van bijzondere, in het

betreffende besluit te vermelden, omstandigheden van deze

wettelijke verplichting van het uitvoeringsorgaan worden

afgeweken.

Zoals ook door de gemachtigde van gedaagde ter zitting van 14

januari 2000 is erkend, bevat het in dit geding nog aan de

orde zijnde terugvorderingbesluit niet de termijnen waarbinnen

moet worden terugbetaald, en bevat dit besluit geen verwijzing

naar artikel 57a van de WAO. Daarbij is niet gesteld of

gebleken van bijzondere omstandigheden die het niet naleven

van deze wettelijke verplichting rechtvaardigen.

Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het

in hoger beroep bestreden besluit niet volledig voldoet aan de

vereisten die in artikel 57, derde lid, van de WAO, zoals

destijds luidend, zijn opgenomen. Derhalve komt dit besluit,

evenals de aangevallen uitspraak voor zover daarbij dat

besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel

8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen

in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten

worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in

hoger beroep.

Tevens acht de Raad gronden aanwezig te bepalen dat het door

appellant in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde

dient te worden vergoed.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het inleidende beroep dat geacht te zijn gericht

tegen het besluit van 25 oktober 1996, alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 25 oktober 1996;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een

bedrag van f 1.420,-;

Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van

f 160,- dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en

mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden in

tegenwoordigheid van S.I. ter Riet als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2000.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) S.I. ter Riet.

AB