ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8790
public
2018-08-25T11:30:45
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8790
Centrale Raad van Beroep
2000-03-30
97/7094 AW, 98/1463 AW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Rechtspraak.nl
JB 2000/143 met annotatie van ARN
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8790
public
2013-04-08T13:57:10
2008-08-18
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8790 Centrale Raad van Beroep , 30-03-2000 / 97/7094 AW, 98/1463 AW

Na vernietiging bob door rb is ontslagbesluit herroepen en een nieuw ontslagbesluit genomen.

Art. 6:19 Awb mist in casu toepassing; belang aan hoger beroep is ontvallen.

97/7094 AW en 98/1463 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen

instellen tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van

8 juli 1997, nr. Awb 94/906, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft de President van de Raad verzocht de werking van de aangevallen

uitspraak te schorsen totdat de Raad in hoger beroep uitspraak zou hebben

gedaan, teneinde tot dat tijstip te worden ontheven van de verplichting opnieuw

op het bezwaar te beslissen.

De President heeft het verzoek bij uitspraak van 13 september 1997 afgewezen.

Appellant heeft gelet op de aangevallen uitspraak en op de uitspraak van de

President, voornoemd, op 13 januari 1998 een nader besluit genomen, waartegen

gedaagde op 17 februari 1998 beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Gedaagde

heeft de Raad op dit besluit geattendeerd en zijn opvatting daarover aan de

Raad kenbaar gemaakt. Hierop is namens appellant gereageerd. Nadien zijn namens

gedaagde nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 februari 2000, waar appellant zich

heeft laten vertegenwoordigen door mr Th.A. Vélo, advocaat te Nieuwegein en

waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr H. Leupen, werkzaam

bij AbvaKabo.

II. MOTIVERING

Gedaagde was sedert 1976 als experimenteel oecoloog werkzaam bij het X en -

nadat dit instituut was overgegaan in het Q (Q) - bij het Q. In het kader van

een reorganisatie van het Q heeft hij op 13 december 1993 zijn belangstelling

voor twee functies van senior-onderzoeker (WP 101 onderscheidenlijk WP 903)

kenbaar gemaakt.

Bij brief van 8 februari 1994 is gedaagde op de hoogte gesteld van het

voornemen hem wegens overtolligheid ontslag te verlenen, omdat zijn functie met

een andere functie tot één functie (WP 101), zou samenvloeien, hij niet voor

vervulling van WP 101 of WP 903 in aanmerking kwam en het niet gelukt was een

andere passende functie te vinden. Bij voormelde brief werd gedaagde voorts als

herplaatsingskandidaat aangemerkt en werd hem meegedeeld dat hij bij het

mobiliteitsbureau van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen

(KNAW) zou worden aangemeld, welk bureau met gedaagde naar structureel werk zou

(blijven) zoeken. Vervolgens is gedaagde bij besluit van 9 maart 1994 op grond

van artikel 5 van het Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs (RWO)

in verbinding met artikel 96, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen

Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 15 maart 1996 ontslag verleend.

Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 18 augustus 1994, zoals aangevuld bij

besluit van 31 januari 1995 gehandhaafd; de laatste twee besluiten worden

hierna als de bestreden besluiten aangeduid.

Bij de aangevallen uitspraak is gedaagdes beroep gegrond verklaard en zijn de

bestreden besluiten vernietigd, omdat nu appellant het nadere standpunt had

ingenomen dat het ontslag niet uit overtolligheid maar uit opheffing van

gedaagdes functie voortkwam, deze besluiten op een onjuiste grondslag waren

gebaseerd. De rechtbank heeft appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar te

beslissen en het betaalde griffierecht te vergoeden. Zij heeft appellants

verzoek afgewezen om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten met

toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in stand te laten, omdat zij het noodzakelijk achtte dat appellant, nu in de

ontslagprocedure voortdurend gedaagdes overtolligheid centraal had gestaan,

alsnog zorgvuldig zou bezien of er inderdaad sprake was van opheffing van

gedaagdes functie en van mindere geschiktheid van gedaagde voor functies in de

nieuwe organisatie. Voor toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zag

de rechtbank voorts geen aanleiding omdat de bestreden besluiten mede niet in

stand konden blijven nu het ontslag verleend was zonder dat daaraan enig

zorgvuldig onderzoek naar herplaatsing was voorafgegaan en ook ten tijde van de

bestreden besluiten van een dergelijk afgerond onderzoek nog geen sprake was.

Na afwijzing van het verzoek om de uitspraak te schorsen heeft appellant bij

besluit van 13 januari 1998, gelet op de aangevallen uitspraak gedaagdes

functie alsnog opgeheven, het ontslagbesluit herroepen en het dienstverband

hersteld, en daarvoor in de plaats het besluit gesteld om gedaagde op grond van

artikel 12.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Rechtspositiereglement

wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (RWOO) met ingang van 1 februari 1998

ontslag te verlenen. Daartoe heeft appellant onder meer overwogen dat er

blijkens het tot 13 januari 1998 voortgezette herplaatsingsonderzoek ook in die

periode binnen de KNAW geen passende functie voor gedaagde beschikbaar was gekomen.

Het hoger beroep is niet tegen de vernietiging van de bestreden besluiten

gericht, maar slechts tegen de weigering van de rechtbank de rechtsgevolgen van

die besluiten in stand te laten. Appellant bestrijdt die weigering, omdat hij

gedaagde door het hanteren van de onjuiste ontslaggrond in het besluit van 9

maart 1994 niet benadeeld acht.

Gedaagde voert aan dat appellant door het nemen van het besluit van 13 januari

1998 bij een uitspraak op het hoger beroep geen belang meer heeft. Nu de

aangevallen uitspraak er niet toe noopte het ontslagbesluit te herroepen en een

nieuw primair besluit met een latere ingangsdatum te nemen, nu voorts bij het

besluit van 13 januari 1998 niet het voorbehoud is gemaakt dat het zou

vervallen of worden ingetrokken indien het hoger beroep mocht slagen, heeft

appellant met het nieuwe ontslagbesluit een van de eerdere besluiten min of

meer losstaand besluit genomen. Dit is derhalve geen wijzigingsbesluit als

bedoeld in artikel 6:18 van de Awb en kan mitsdien niet op grond van artikel

6:19 van de Awb bij het onderhavige geding worden betrokken. Voorts, aldus

gedaagde, kan het hoger beroep tevens niet geacht worden tegen het besluit van

13 januari 1998 te zijn gericht, nu alleen appellant hoger beroep heeft

ingesteld. Gedaagde verzoekt de Raad laatstgenoemd besluit niet bij het

onderhavige geding te betrekken maar de zaak in zoverre naar de rechtbank te verwijzen.

Appellant betoogt dat hij bij het hoger beroep nog wel belang heeft, nu de

rechtbank het oorspronkelijke ontslagbesluit heeft vernietigd en de

rechtsgevolgen van de bestreden besluiten ten onrechte niet in stand heeft

gelaten en voorts omdat het nieuwe ontslagbesluit met de juiste ontslaggrond in

opdracht van de rechtbank moest worden genomen.

De Raad overweegt dienaangaande dat - anders dan gedaagde stelt - artikel 6:19

van de Awb, ook indien alleen het bestuursorgaan hoger beroep instelt, wel

betekenis heeft ten aanzien van de nieuwe beslissing op bezwaar die dat orgaan

heeft genomen ter uitvoering van de uitspraak waartegen het hoger beroep is

gericht. De nieuwe beslissing wordt ingevolge 's Raads vaste rechtspraak, omdat

zij ter uitvoering van bedoelde uitspraak is genomen, op de voet van genoemd

artikel in beginsel bij het geding in hoger beroep betrokken. Bij vernietiging

van die uitspraak door de Raad ontvalt vervolgens de grondslag aan de nieuwe

beslissing op bezwaar, zodat die beslissing in dat geval eveneens voor

vernietiging in aanmerking komt. Dit brengt mee dat het appellerende

bestuursorgaan, ook als het bij de nieuwe beslissing op bezwaar betrokkene

volledig tegemoet komt, zijn belang bij het hoger beroep toch niet verliest.

In het onderhavige geval evenwel heeft appellant er voor gekozen een andere weg

te volgen dan bij de aangevallen uitspraak was aangegeven.

Bij die uitspraak is immers, anders dan appellant betoogt, het ontslagbesluit

van 9 maart 1994 niet vernietigd en is appellant niet opgedragen een nieuw

ontslagbesluit te nemen, maar zijn alleen de bestreden - op gedaagdes bezwaar

tegen het ontslagbesluit genomen - besluiten vernietigd en is appellant

opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Deze opdracht was er op gericht

dat appellant de aan het ontslagbesluit van 9 maart 1994 klevende gebreken (zo

mogelijk) zou herstellen door nader te bezien of dat besluit inderdaad op

opheffing van gedaagdes functie kon worden gebaseerd en door alsnog - zoals

artikel 5 van het RWO in verbinding met artikel 96, tweede lid, van het ARAR

eiste - zorgvuldig te onderzoeken of in de periode voorafgaand aan de

ontslagverlening passende werkzaamheden voor gedaagde beschikbaar waren.

Appellant heeft voor een andere weg gekozen door het aanvankelijke

ontslagbesluit te herroepen, het onderzoek naar passende werkzaamheden over een

later - hoofdzakelijk na de ingangsdatum van het aanvankelijke ontslag gelegen

- tijdvak te verrichten en op basis van de uitkomsten daarvan opnieuw te

besluiten dat er aanleiding was gedaagde alsnog, met ingang van een veel later

tijdstip, ontslag te verlenen.

Van dit nieuwe - primaire - ontslagbesluit kan naar het oordeel van de Raad

niet worden gezegd dat het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is

genomen. Derhalve kan een eventuele vernietiging van de aangevallen uitspraak

er niet toe leiden dat de grondslag aan dit besluit komt te ontvallen en is er

geen grond om dit besluit op de voet van artikel 6:19 van de Awb bij het

onderhavige geding te betrekken.

Door de weg die appellant heeft gekozen, heeft hij bij een oordeel over het

hoger beroep geen belang meer. Met het instellen van hoger beroep is beoogd een

uitspraak van de Raad te verkrijgen inzake de vraag of de rechtbank terecht

heeft geweigerd de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in

stand te laten.

Bij een oordeel van de Raad over die vraag heeft appellant, nu hij het

oorspronkelijke bij de bestreden besluiten gehandhaafde ontslagbesluit

onvoorwaardelijk heeft herroepen en heeft vervangen door een nieuw

ontslagbesluit dat blijkens het hiervoor overwogene geen onderdeel van het

onderhavige geding vormt, geen belang meer.

Gelet op het teloor gaan van het belang bij een uitspraak op het hoger beroep

moet dit beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het voorgaande brengt voorts mee dat de Raad niet toekomt aan een beoordeling

van de rechtmatigheid van het ontslagbesluit van 13 januari 1998.

Nu tegen dit, primaire, besluit bezwaar kon worden gemaakt, zal de rechtbank

het beroep dat gedaagde tegen dit besluit heeft ingesteld op grond van artikel

6:15 van de Awb naar appellant moeten doorzenden opdat deze dat beroep alsnog

als bezwaar behandelt.

De Raad ziet in het hiervoor vorenoverwogene aanleiding appellant te

veroordelen in de kosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van f 1.775,-

voor verleende rechtsbijstand en f 78,20 voor reiskosten. Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van

f 1.853,20, te betalen door de KNAW;

Bepaalt dat van de KNAW een griffierecht van f 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr J.H. van

Kreveld en mr K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr M.M. van

Maurik als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2000.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.M. van Maurik.

HD

29.03