ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8917
public
2019-10-26T10:02:15
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8917
Centrale Raad van Beroep
2000-07-18
98/8537 NABW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Algemene bijstandswet 47
Algemene bijstandswet 24
Rechtspraak.nl
RSV 2000, 200
JABW 2000, 148
Gst. 2001-7136, 10 met annotatie van W.P.F. de Bruijn
USZ 2000/261 met annotatie van A.E.L.T. Balkema
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8917
public
2013-04-08T13:57:36
2004-07-27
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8917 Centrale Raad van Beroep , 18-07-2000 / 98/8537 NABW

Uitkering ineens van bijzonder weduwenpensioen is inkomen in de zin van art. 47.1.a Abw. Geen sprake van een bijstandsaanvraag die te wijten is aan het feit dat betrokkene blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

98/8537 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente

Dongen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr K.M. van der Zouwen, advocaat te

Oosterhout, op in het beroepschrift aangegeven gronden hoger

beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te

Breda op 30 oktober 1998 tussen partijen gewezen uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 juni 2000.

Daar is appellante verschenen bij haar gemachtigde mr Van der

Zouwen voornoemd en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen

door J.M.M. Bankers, werkzaam bij de gemeente Dongen.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is aan appellante met ingang van 28

oktober 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet

(Abw) toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande

en verhoogd met een toeslag van 10%; op deze uitkering wordt

inkomen in de vorm van een arbeidsongeschiktheidsuitkering die

appellante ontvangt in mindering gebracht.

Bij pensioenbrief van 11 juli 1997 is vanwege het

Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid aan appellante

bericht, dat zij op grond van het overlijden van haar gewezen

echtgenoot C. met ingang van 1 mei 1997 recht heeft op een

bijzonder weduwepensioen van f 38,95 per maand en dat de

afrekening plaatsvindt in de vorm van een uitkering ineens van

f 4.432,69 netto.

Op 15 juli 1997 is dat bedrag aan appellante betaalbaar

gesteld. Hiervan heeft zij aan gedaagde opgave gedaan door

middel van het rechtmatigheidsformulier over juli 1997.

Die opgave heeft ertoe geleid dat appellante op

19 augustus 1997 een gesprek had met een medewerker van de

afdeling sociale zaken van de gemeente Dongen. Daarbij kwam

onder andere naar voren dat appellante het genoemde bedrag van

de uitkering ineens inmiddels volledig had aangewend voor het

aflossen van schulden.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 5 september 1997 het

volgende ter kennis van appellante gebracht:

"Ingaande 01-07-1997 zal de periodieke uitkering ingevolge de

Algemene bijstandswet worden voortgezet met toepassing van

artikel 24 aanhef en sub b van de Algemene bijstandswet. Dit

betekent dat vanaf die datum de bijstand wordt

verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Hierbij is

overwogen dat de noodzaak tot bijstandsverlening vanaf

01-07-1997 het gevolg is van een tekortschietend besef van

verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, omdat

door U een bedrag ad.

f 4.432,69 ineens is ontvangen en dit bedrag door U

onmiddellijk is aangewend ter aflossing van diverse schulden.

Door op deze wijze te handelen heeft U zichzelf in een positie

gebracht waardoor U direkt weer aangewezen bent op

bijstandsverlening.

De totale geldlening (artikel 24 Abw) is vastgesteld op f

4.432,69. Zodra dit bedrag aan U middels periodieke bijstand

betaalbaar is gesteld, wordt de uitkering vervolgens weer a

fonds perdu verstrekt.

Het bedrag ad. f 4.432,69 werd door U ontvangen in de vorm van

een afkoopsom bijzonder weduwepensioen. Ingevolge de Algemene

bijstandswet dient dit bedrag te worden aangemerkt als

ontvangen inkomen ineens ter voorziening in de noodzakelijke

kosten van het bestaan.

Tevens is besloten om met ingang van 01-07-97 de aflossing van

de renteloze geldlening vast te stellen op een bedrag ad. f

139,83 per maand totdat het bedrag ad. f 4.432,69 volledig is

voldaan. (...)".

Tegen dat besluit heeft mr Van der Zouwen bezwaar aangetekend.

Hierbij is het standpunt ingenomen dat de uitkering ineens voor

de toepassing van de Abw als vermogen moet worden aangemerkt en

gevorderd dat aan appellante met ingang van 1 juli 1997

bijstand om niet wordt verleend.

Bij besluit van 28 oktober 1997 heeft gedaagde met handhaving

van de motivering van het besluit in primo het bezwaar als

ongegrond afgewezen.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 30 oktober 1998 het

beroep dat appellante tegen het besluit van

28 oktober 1997 had laten instellen, ongegrond verklaard. De

rechtbank heeft zich ten volle met het bestreden besluit

verenigd.

Appellante kan zich in hoger beroep niet in die uitspraak

vinden. Hiertoe heeft appellante volhard in hetgeen zij in het

bezwaar tegen het besluit van 5 september 1997 naar voren had

gebracht.

Met inachtneming daarvan overweegt de Raad het volgende.

Evenals de rechtbank zal de Raad eerst aandacht schenken aan de

vraag of de uitkering ineens die appellante heeft ontvangen,

het karakter heeft van inkomen in de zin van artikel 47 van de

Abw.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak die vraag

bevestigend beantwoord en daartoe als volgt overwogen:

"Uit de toelichting op artikel 47, eerste lid, aanhef en onder

a, blijkt dat een eerste criterium om te beoordelen of middelen

als inkomen aangemerkt zouden moeten worden is gelegen in het

karakter ervan: middelen die over het algemeen periodiek worden

ontvangen, zoals uitkeringen, kunnen worden ingezet voor de

voorziening in het levensonderhoud. Ook eenmalig ontvangen

inkomens die naar hun aard hiermee overeenkomen dienen als

inkomen in aanmerking te worden genomen. Als voorbeeld wordt

hierbij de alimentatie-afkoopsom genoemd.

Een tweede criterium voor het in aanmerking nemen van middelen

als inkomen is de periode waarop de inkomsten betrekking

hebben. Bij uitkeringen, waaronder een pensioenuitkering, is

dat de periode waarvoor de uitkering bestemd is. Bij bedragen

ineens dient evenzeer te worden beoordeeld op welke periode

deze kunnen worden geacht betrekking te hebben.

Gelet op het bovenstaande kan de uitkering van weduwepensioen,

al dan niet ten titel van een afkoopsom, naar het oordeel van

de rechtbank worden aangemerkt als bedoeld ter voorziening in

de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De rechtbank

ziet niet in waarom de vergelijking met een

alimentatie-afkoopsom in casu niet op kan gaan. Hetgeen eiseres

hierover aanvoert, wordt door haar ook niet nader onderbouwd.

Het uitgekeerde weduwepensioen kan dan ook niet worden

aangemerkt als vermogen.

De pensioenuitkering wordt voorts geacht betrekking te hebben

op de periode juli 1997 en daarna.".

Ook de Raad beantwoordt de hier aan de orde zijnde vraag

bevestigend en schaart zich hiertoe geheel achter deze

overwegingen van de rechtbank die hij tot de zijne maakt.

Voorts dient de Raad na te gaan of gedaagde terecht met

toepassing van artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw ertoe

is overgegaan de aan appellante verleende bijstand met ingang

van 1 juli 1997 te verlenen in de vorm van een geldlening.

Deze vraag beantwoordt de Raad anders dan de rechtbank

ontkennend.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw kan

- voorzover hier van belang - bijstand eveneens worden verleend

in de vorm van een geldlening, indien de noodzaak tot

bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van

verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

De Raad is van oordeel dat dit voorschrift, gezien de tekst

ervan en mede gelet op de wetsgeschiedenis (in het bijzonder de

MvT Kamerstukken II, 1991/1992, 22545) betrekking heeft op de

situatie, waarin de noodzaak tot bijstandsverlening is te

wijten aan het feit dat de betrokkene blijk heeft gegeven van

een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de

voorziening in het bestaan. Een dergelijke situatie doet zich

in dit geval niet voor. Appellante verkeerde immers zowel vóór

als na de uitbetaling van het bedrag van f 4.432,69 in juli

1997 in omstandigheden als bedoeld in artikel 7 van de Abw,

zodat de noodzaak tot bijstandsverlening geen verband houdt met

de wijze waarop appellante dit bedrag heeft besteed.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden

besluit inzake de toepassing van artikel 24, aanhef en onder b,

van de Abw met de wet in strijd is en daarom niet in stand kan

blijven. Ook de aangevallen uitspraak dient te worden

vernietigd.

Dit laat echter onverlet dat gedaagde in het kader van de

bijstandsverlening aan appellante wel rekening moet houden met

de door appellante ontvangen uitkering ineens. Hierbij is niet

van invloed dat appellante, naar haar stelling, het bedrag van

de uitkering ineens voorafgaande aan 1 juli 1997 volledig heeft

gebruikt om schulden af te lossen.

In dit verband tekent de Raad - ten overvloede - aan dat het

voor de hand ligt dat gedaagde van het bedrag van de uitkering

ineens maandelijks, met ingang van 1 juli 1997, een deel op de

bijstandsuitkering van appellante in mindering brengt, op een

zodanige wijze dat bedoeld bedrag binnen een redelijk te achten

termijn met de bijstandsuitkering van appellante is verrekend.

Hieraan voegt de Raad - ten overvloede - toe dat daartoe het

bedrag ad f 139,83 per maand, waarmee appellante sedert 1 juli

1997 de haar verleende renteloze geldlening aflost, als

richtsnoer kan dienen.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te

veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in

hoger beroep. Deze kosten worden begroot op

(f 1.420,-- + f 1.420,-- =) f 2.840,-- voor verleende

rechtsbijstand.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met

inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, zowel

in beroep als in hoger beroep tot een bedrag, groot

f 1.420,-- (in totaal f 2.840,--), door de gemeente

Dongen te betalen aan de griffier van de Raad;

Gelast de gemeente Dongen aan appellante het gestorte recht van

f 55,-- in beroep en f 160,-- in hoger beroep (in totaal f

215,--) te vergoeden.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr R.M. van Male en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als

leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als

griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2000.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

HL

307