ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8925
public
2018-03-09T13:04:15
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8925
Centrale Raad van Beroep
2000-07-11
99/4902 ZFW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Rechtspraak.nl
RZA 2000, 120
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8925
public
2013-04-08T13:57:38
2002-10-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8925 Centrale Raad van Beroep , 11-07-2000 / 99/4902 ZFW

-

99/4902 ZFW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar Zorg en

Zekerheid u.a., gevestigd te Leiden, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 21 november 1996 (het bestreden besluit) heeft

gedaagde het bezwaar van appellante tegen zijn eerdere besluit

van 17 september 1996, waarbij schadevergoeding werd gevorderd

wegens onrechtmatige inschrijving van twee kinderen van

appellante als medeverzekerden ingevolge de Ziekenfondswet

(ZFW) gedurende de periode van 28 juni 1991 tot 28 juni 1996,

kennelijk ongegrond verklaard en het besluit van 17 september

1996 in zoverre herzien dat schadevergoeding wordt gevorderd

over de periode van 3 juli 1989 tot 3 juli 1994.

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft het tegen dat

besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 1 juli 1999

ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Door gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd is door appellante nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op

30 mei 2000, waar appellante zich heeft laten

vertegenwoordigen door haar echtgenoot, de heer C., en waar

gedaagde (na door de Raad te zijn opgeroepen om te verschijnen

bij gemachtigde) zich heeft laten vertegenwoordigen door mr

M.G.M. Snep, juridisch medewerker bij gedaagde.

II. MOTIVERING

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit

in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

De feiten waarop de vordering van gedaagde berust, zijn in het

bestreden besluit -voor zover thans van belang- als volgt

weergegeven:

"De verzekerde is met ingang van 1 april 1989 ingeschreven bij

Zorg en Zekerheid als verplicht verzekerde (..) Haar beide

kinderen, (..) zijn met ingang van diezelfde datum

ingeschreven als haar medeverzekerden. Op 28 juni 1996

ontvangt Zorg en Zekerheid van verzekerde een

controleformulier (..) terug, waarop zij aangeeft dat zij

sinds augustus 1989 samenwoont. (..) Op 29 juli 1996 ontvangt

Zorg en Zekerheid van de gemeente Ouderkerk aan de Amstel het

bericht dat verzekerde sinds 3 juli 1989 samenwoont. Zorg en

Zekerheid heeft daarop geconstateerd dat de beide kinderen

geen recht hadden op inschrijving als medeverzekerde van 3

juli 1989 tot 28 juni 1996.".

In hoger beroep is appellante, die in eerste aanleg werd

bijgestaan door mr M.S. Roosblad, destijds advocaat te

Amsterdam, zelf haar belangen gaan behartigen en heeft zij

gesteld dat zij niet sinds 1 april 1989 is ingeschreven bij

gedaagde, maar per 3 juli 1989, en dat zij zich bij

gelegenheid van haar inschrijving ook jegens gedaagde als

samenwonende sinds 3 juli 1989 heeft gepresenteerd. Appellante

stelt dat zij dit ook aan haar toenmalige raadsman in eerste

aanleg heeft verteld, maar dat daarover niets is terug te

vinden in de door hem opgestelde gedingstukken. Tevens is door

appellante als grief naar voren gebracht dat Zorg en Zekerheid

niet meer beschikt over het aanmeldingsformulier, zodat door

gedaagde niet kan worden aangetoond dat appellante bij de

inschrijving/aanmelding relevante informatie heeft

achtergehouden.

Op verzoek van de Raad heeft appellante haar standpunt

onderbouwd door het indienen van een uittreksel uit de

gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Op dit

uittreksel is onder andere vermeld dat appellante eerder

geregistreerd is geweest als wonende te Amsterdam tot

3 juli 1989 en als wonende te Duivendrecht (gemeente

Ouder-Amstel) vanaf 3 juli 1989. Daarnaast heeft appellante

een brief van 3 april 2000 van Onderlinge Waarborgmaatschappij

ZAO Zorgverzekeringen u.a. (ZAO), gevestigd te Amsterdam, in

het geding gebracht, waarin is vermeld dat zij bij ZAO was

ingeschreven als ziekenfondsverzekerde van 3 september 1978

tot en met 18 juni 1989.

Door gedaagde is primair aangevoerd dat appellante zich in een

te laat stadium, immers pas in hoger beroep er op beroept dat

gedaagde het aanmeldingsformulier niet meer kan overleggen.

Voorts heeft gedaagde subsidiair ter zitting van de Raad

betoogd dat van de juistheid van de door hem gestelde feiten

moet worden uitgegaan. Ter ondersteuning daarvan is aangevoerd

dat uit de (computer)gegevens van gedaagde blijkt dat er ten

aanzien van appellante op 13 januari 1990 een mutatie heeft

plaatsgevonden, te weten dat een bedrag aan nominale premie in

verband met de verplichte verzekering ingevolge de ZFW is

ontvangen, en dat daaruit kan worden afgeleid dat appellante

bij gedaagde met terugwerkende kracht als verzekerde is

ingeschreven. Daarbij is door de gemachtigde van gedaagde

gesteld dat, nu in het geautomatiseerde systeem van gedaagde

is vermeld dat appellante per 1 april 1989 als verzekerde is

ingeschreven, van de juistheid van deze datum moet worden

uitgegaan. Tevens is ter zitting desgevraagd zijdens gedaagde

meegedeeld dat niet is onderzocht in hoeverre door appellante

nominale premies zijn betaald met betrekking tot de periode

vòòr 13 januari 1990 en dat in verband met een schoning van de

bestanden in 1994 niet meer is na te gaan of er voor 3 juli

1989 op grond van de ZFW verstrekkingen zijn verleend aan

appellante en/of haar kinderen.

De Raad acht het in het onderhavige geval niet in strijd met

een goede procesorde dat appellante in hoger beroep nieuwe

grieven naar voren heeft gebracht, omdat gedaagde in hoger

beroep voldoende in de gelegenheid is geweest

om tegen die grieven gemotiveerd verweer te voeren.

Mede gelet op voormelde -geadstrueerde- grieven van appellante

ziet de Raad zich thans primair voor de vraag gesteld of

gedaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante

destijds gedaagde relevante gegevens heeft onthouden, waardoor

haar kinderen ten onrechte als medeverzekerden bij het

ziekenfonds zijn ingeschreven geweest.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend omdat door gedaagde

ter ondersteuning van haar stelling dat appellante de

inlichtingenplicht zou hebben geschonden, geen andere

bewijsmiddelen naar voren zijn gebracht dan een verwijzing

naar voormelde gegevens uit het geautomatiseerde systeem van

gedaagde.

Gelet op het onderbouwde andersluidende standpunt van

appellante, waarvoor ten aanzien van de door haar gestelde

ingangsdatum van de verzekering bij gedaagde met name steun is

te vinden in de door haar in hoger beroep overgelegde en ter

zitting nader toegelichte stukken, en het feit dat, naar

tussen partijen in confesso is, ten tijde in geding een

verzekerde zich moest aanmelden en inschrijven bij een

ziekenfonds dat werkzaam was in zijn woonplaats, acht de Raad

de door gedaagde ter ondersteuning van haar standpunt

aangevoerde bewijsmiddelen onvoldoende concreet om als

vaststaand aan te kunnen nemen dat appellante met ingang van 1

april 1989 bij gedaagde als verzekerde is ingeschreven en niet

tijdig heeft meegedeeld dat zij met ingang van 3 juli 1989

samenwoonde. In dit verband acht de Raad mede van belang dat

gedaagde pas zeven jaar na de door haar gestelde

inschrijvingsdatum door middel van een controleformulier

onderzoek heeft gedaan naar de rechtmatigheid van de

inschrijving van appellante en haar twee kinderen.

De omstandigheid dat gedaagde het aanmeldingsformulier van

appellante thans niet meer kan overleggen, leidt de Raad niet

tot een ander oordeel, nu dit onder de gegeven omstandigheden

voor risico van gedaagde komt. De Raad overweegt daartoe het

volgende.

Ter zitting van de Raad is door de gemachtigde van gedaagde

uiteengezet dat gedaagde bij toezending van de

controleformulieren selectie 'at random' (op postcode) laat

plaatsvinden, waardoor het zeer wel mogelijk is dat feitelijk

niet bij iedere verzekerde één maal in de vijf jaar controle

plaatsvindt, zoals op grond van (de bijlage bij) het Besluit

controle op de rechtmatigheid van inschrijving als

ziekenfondsverzekerde 1990 is vereist. Tevens is aangevoerd

dat gedaagde op grond van de richtlijnen van de (voormalige)

Ziekenfondsraad bij circulaire dd. 6 mei 1981, nr. 105/81,

waarin is bepaald dat een aanmeldingsformulier vijf

kalenderjaren bewaard dient te worden na het jaar waarin de

inschrijving tot stand is gekomen, de aanmeldingsformulieren

niet (veel) langer bewaart dan gedurende voormelde termijn.

Naar het oordeel van de Raad is het aan gedaagde om bij de

toezending van de controleformulieren een selectie te laten

plaatsvinden die er wel toe leidt dat (nagenoeg) alle

verzekerden in een periode van vijf jaar in de controle worden

betrokken, en staat voormelde circulaire er niet aan in de weg

dat aanmeldingsformulieren gedurende een langere termijn

bewaard kunnen worden.

Gelet op bovenstaande overwegingen treft het hoger beroep doel

en dient beslist te worden als hierna onder III vermeld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan

het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet

bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Verstaat dat gedaagde een nader besluit neemt met inachtneming

van het in deze uitspraak overwogene.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en

mr D.J. van der Vos en mr R.M. van Male als leden, in

tegenwoordigheid van B.M. van Leeuwen als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) B.M. van Leeuwen.

JdB

2206