ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8937
public
2018-08-25T08:30:45
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB8937
Centrale Raad van Beroep
2000-07-18
97/7480 AAW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
RSV 2000/222
USZ 2000/249 met annotatie van Red.
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8937
public
2013-04-08T13:57:41
2002-10-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8937 Centrale Raad van Beroep , 18-07-2000 / 97/7480 AAW

-

97/7480 AAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de

plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige

geval is het Lisv in de plaats getreden van (het bestuur van)

de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB). In deze uitspraak

wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze

bedrijfsvereniging.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden

in hoger beroep gekomen van een door de

Arrondissementsrechtbank te 's Gravenhage onder dagtekening

7 juli 1997 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen

uitspraak), inhoudende gegrondverklaring van gedaagdes beroep

tegen het in het kader van de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) genomen besluit van

29 februari 1996 (het bestreden besluit), vernietiging van dat

besluit en opdracht om met inachtneming van die uitspraak een

nieuw besluit te nemen, zulks met veroordeling van appellant

tot vergoeding van het door gedaagde betaalde griffierecht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op

19 juni 2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen

door mr M.H. Beersma, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar

namens gedaagde is verschenen zijn vader L.J. Burgwal.

II. MOTIVERING

Gedaagde, geboren in 1977, is sinds zijn geboorte zwaar

spastisch, volledig rolstoelafhankelijk en voor zijn verzorging

aangewezen op de hulp van derden. In verband daarmee is hem

ingaande 26 oktober 1995 een uitkering ingevolge de AAW

toegekend. Bij besluit van 29 februari 1996 (het bestreden

besluit) is op grond van medisch en arbeidskundig onderzoek de

uitkering krachtens artikel 13 van die wet per 26 oktober 1995

verhoogd naar 85% van de grondslag, wegens het verkeren in een,

althans voorlopig, blijvende toestand welke geregeld oppassing

en verzorging mogelijk maakt.

Bij het, in het kader van het tegen het bestreden besluit

ingestelde beroep, ingediende verweerschrift heeft appellant

onder verwijzing naar het door hem terzake gevoerde beleid

uiteengezet dat gedaagde, gelet op de mate van zijn

hulpbehoevendheid, in beginsel in aanmerking zou komen voor

verhoging van de uitkering tot 100%, maar dat de omstandigheid

dat hij gedurende 5 dagen per week een school voor regulier

voortgezet onderwijs volgt (ten tijde in geding 4 VWO) ertoe

leidt dat de verhoging wordt beperkt tot een percentage van 85.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit

gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Die vernietiging

berust in het bijzonder op het navolgende gedeelte van de

aangevallen uitspraak:

"Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat een

school voor regulier VWO niet is gericht en evenmin is

ingesteld op de verzorging van en het bieden van hulp aan een

ernstig lichamelijk gehandicapte zoals eiser, hetgeen

daarentegen wel moet worden gerekend tot de doelstellingen van

een dagverblijf voor evengenoemde categorie gehandicapten. Een

school voor regulier VWO is immers gericht en ingesteld op het

geven van onderwijs, dat wil zeggen het overdragen van kennis

en vaardigheden, aan in de regel zelfredzame personen. Indien

een ernstig lichamelijk gehandicapte zoals eiser een school

voor regulier VWO bezoekt, kan derhalve niet worden

staande gehouden dat dit overwegend dient ter ontlasting van de

ouder(s) en/of verzorger(s) in hun hulpverlenende en

toezichthoudende taken. In dit verband verdient nog opmerking

dat het geven van hulp en het houden van toezicht noodzakelijk

zijn met het oog op de handicap van betrokkene.

Hiermee kan noch het toezicht dat leerkrachten binnen de

context van de doelstelling van het regulier VWO houden op

leerlingen, noch de helpende hand die leerkrachten of

leerlingen onderling elkaar in

schooltijd zonodig bieden, worden gelijkgesteld.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de

rechtbank niet kunnen blijken dat het bestuur van de NAB zich

hiervan rekenschap heeft gegeven bij de vaststelling van het

beleid.

De rechtbank overweegt in de tweede plaats dat

- naar algemeen bekend is - scholen voor VWO gedurende

vakantieperioden gesloten zijn, waardoor over een heel

schooljaar bezien sprake is van een substantiële periode waarin

schoolgang feitelijk niet mogelijk is. Daarbij komt nog de

allesbehalve bij wege van uitzondering voorkomende en vaak niet

tevoren aangekondigde uitval van lesuren, met name in de

examentijd, aan het begin of aan het einde van de schooldag

danwel tussentijds, met als gevolg dat eiser later naar school

kan (worden gebracht) en/of eerder naar huis kan (worden

gebracht) waar hij dan dient te worden opgevangen en/of een dag

in het geheel niet naar school kan/hoeft en ook alsdan thuis

dient te worden opgevangen.

Daarvan is niet als regel, althans niet in gelijke mate, sprake

bij dagverblijven voor ernstig lichamelijk en/of geestelijk

gehandicapten. Dit betekent dat ouder(s) of verzorger(s) van

een lichamelijk gehandicapte die een school voor regulier

onderwijs bezoekt, zoals eiser, niet in dezelfde mate en

substantieel minder wordt/worden ontlast dan de ouder(s) of

verzorger(s) van een gehandicapte die een dagverblijf bezoekt.

Eerstgenoemde categorie ouders en verzorgers verkeert naar het

oordeel van de rechtbank derhalve in een wezenlijk andere

situatie dan de laatstgenoemde categorie.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de

rechtbank evenmin kunnen blijken dat het bestuur van de NAB

hiermee rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het

beleid.

Voor haar bezwaren tegen de door het bestuur van de NAB

aanwezig veronderstelde "kostenbeperking" veroorlooft de

rechtbank zich verwijzing naar hetgeen zij daarover heeft

overwogen in haar uitspraak van heden in de zaak, geregistreerd

onder nummer 96/01692 AAWAO, welke uitspraak in afschrift aan

deze uitspraak is gehecht. Hier volstaat de rechtbank met de

opmerking dat naar haar oordeel het bestuur van de NAB niet

heeft voldaan aan de verplichting, welke hij op zich heeft

genomen door die veronderstelde beperking van de kosten met

zoveel woorden te maken tot onderdeel van zijn beleid in de zin

dat die "kostenbeperking" redengevend voor de toeslagverlaging

wordt gemaakt in een situatie als de onderhavige, waarbij geen

onderscheid wordt gemaakt tussen het doorbrengen van een

gedeelte van de dag in een dagverblijf en een school voor VWO,

aan te tonen dat die kosten ten gevolge daarvan ook in

werkelijkheid beperkter zijn.".

De rechtbank heeft daarom het bestreden besluit vernietigd

wegens schending van het bepaalde in artikel 3:2 en 4:16 (oud)

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In hoger beroep heeft appellant zich, op in het aanvullend

beroepschrift uitvoerig aangevoerde gronden, gekeerd tegen de

overwegingen van de aangevallen uitspraak welke tot

vernietiging van het bestreden besluit hebben geleid. Appellant

heeft daarbij aangegeven dat, evenals in het geval van het

bezoeken van een dagverblijf, de betrokkene die naar een

reguliere middelbare school gaat, gedeelten van een dag aan de

zorg van ouders of verzorgers is onttrokken, zodat dezen in

zoverre zijn ontlast van verzorgende en toezichthoudende taken.

Als daarvan in beduidende omvang sprake is, waarbij een grens

van 4 dagen per week wordt aangehouden, dan leidt dit in het

gehanteerde beleid, ongeacht de soort voorziening waarvan

gebruik wordt gemaakt, tot toepassing van een

uitkeringspercentage van 85. Appellant heeft in verband daarmee

het forfaitaire karakter van de verhoging beklemtoond, waarmee

zijns inziens niet in overeenstemming is dat in een concreet

geval wordt getoetst welke de mate van kostenbesparing is als

gevolg van het bezoeken van een bepaalde instelling. Ook acht

appellant het in strijd met genoemd karakter dat, zoals de

rechtbank voorstaat, onderzoek zou moeten worden ingesteld naar

de aard en omvang van het verblijf op een reguliere school.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 13 van de AAW, zoals dat luidde tot 1 januari 1998,

bepaalde -voor zover thans van belang- dat een

arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, in geval de betrokkene

verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van

hulpbehoevendheid welke geregeld oppassing en verzorging

mogelijk maakt, voor de duur van die hulpbehoevendheid wordt

verhoogd tot ten hoogste zijn grondslag.

Vóór april 1990 werd in de wetsuitvoering en rechtspraak een

restrictieve uitleg gegeven aan die bepaling. Uit de uitspraken

van 12 april en 19 april 1990 (RSV 1990, 305 en 307) van deze

Raad volgt evenwel dat een terughoudende toepassing van deze

bepalingen niet zo ver mag gaan dat aan die bepalingen een

uitleg zou worden gegeven die niet strookt met de tekst daarvan

of deze tot een dode letter zou maken. De Raad heeft in dat

verband overwogen dat aan het vereiste van de noodzaak van

geregelde verzorging niet eerst dan voldaan is wanneer een

belanghebbende voor elk, of de meeste, van de essentiële en

steeds terugkerende levensverrichtingen hulp behoeft, doch in

beginsel ook wanneer die hulp nodig is bij een aantal daarvan.

De Raad heeft daaraan toegevoegd in zoverre wel een zekere

beleidsruimte voor terughoudende toepassing aanwezig te achten

dat, als de betrokkene uit hoofde van andere voorzieningen,

zoals een dagverblijf, oppassing en verzorging geniet, er

aanleiding zou kunnen zijn de verhoging te beperken, waar de

woorden "ten hoogste" in de tekst van deze artikelen de

mogelijkheid toe bieden.

De voormalige Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) heeft in

november 1992 de aanbeveling aan de toenmalige

bedrijfsverenigingen gedaan om bij de toepassing van artikel 13

van de AAW een beleid te gaan voeren, gebaseerd op indeling in

twee categorieën. Dat beleid komt erop neer dat de uitkering

verhoogd wordt tot 100% van de grondslag in die gevallen,

waarin voldaan is aan het restrictieve criterium zoals dat

voorafgaand aan de voormelde uitspraken van de Raad van april

1990 werd gehanteerd, terwijl in de (overige) gevallen waarin

aan de minder stringente voorwaarden is voldaan, verhoging tot

85% plaatsvindt. In laatstgenoemde gevallen wordt sprake geacht

van geregelde oppassing wanneer de belanghebbende in een

situatie verkeert die hem geregeld aangewezen doet zijn op

handreikingen van derden en van geregelde verzorging wanneer de

belanghebbende hulp behoeft bij een aantal van de essentiële en

steeds terugkerende levensverrichtingen. In zijn uitspraak van

14 februari 1995 (RSV 1995, 154) heeft de Raad in het kader van

de toetsing van een door het bestuur van de NAB genomen besluit

geoordeeld dat het zojuist omschreven beleid de rechterlijke

toetsing kan doorstaan.

In een aantal uitspraken, waaronder die van 29 december 1995

(kenmerk AAW 1993/1202) en van 24 november 1998 (USZ 1999/24),

is vervolgens aan de orde gekomen dat door de NAB, bij wijze

van aanvulling op en aanscherping van het op de FBV-aanbeveling

gebaseerde beleid, ook het bezoeken van een dagverblijf als

criterium wordt gehanteerd. Dat criterium houdt in dat, indien

ten minste vier dagen per week een dagverblijf of een school

voor speciaal of regulier onderwijs wordt bezocht, in gevallen

die op basis van de overige criteria voor verhoging tot 100% in

aanmerking zouden komen, de verhoging wordt beperkt tot 85% van

de grondslag en in gevallen waarin die andere criteria tot

verhoging naar 85% zouden leiden, de uitkering op 70% blijft

gehandhaafd. Dat beleid is door de Raad in de zojuist genoemde

uitspraken in beginsel rechtens aanvaardbaar bevonden.

Omtrent het thans aan de orde zijnde, door de rechtbank

gewraakte, onderdeel van appellants beleid heeft de Raad zich

evenwel nog niet expliciet uitgelaten.

Betreffende de overwegingen van de rechtbank erop meerkomende

dat had moeten worden aangetoond dat er in dit geval sprake was

van daadwerkelijke beperking van kosten als gevolg van het

schoolbezoek, verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak

van 9 juli 1999 (USZ 1999, 238), inhoudende vernietiging van de

eerdere uitspraak van de rechtbank, naar welke in de

aangevallen uitspraak ten aanzien van dit aspect is verwezen.

In die uitspraak van de Raad heeft hij zich verenigd met de

zienswijze van appellant dat een verhoging krachtens artikel 13

van de AAW een forfaitair, niet kostendekkend bedoeld, karakter

heeft, zodat er bij toepassing van het dienaangaande

gehanteerde beleid, waarbij dat karakter als uitgangspunt is

genomen, geen gehoudenheid is om de in concreto optredende mate

van kostenbesparing te toetsen. In zoverre onderschrijft de

Raad dan ook de zienswijze van appellant en volgt hij het

desbetreffende gedeelte van de aangevallen uitspraak niet.

De Raad kan zich evenwel voor het overige wel in grote lijnen

verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen

omtrent de consequenties die op basis van meergenoemd beleid

zijn verbonden aan het bezoeken van een school voor regulier

voortgezet onderwijs, zij het dat de Raad niet zozeer van

belang acht welke mogelijkheden een school voor voortgezet

onderwijs heeft voor de opvang van gehandicapte leerlingen,

maar vooral welk effect het bezoeken van een dergelijke school

heeft wat betreft ontlasting van ouders en/of verzorgers. De

Raad heeft in dit verband doen wegen dat van appellants kant

ter zitting van de Raad desgevraagd is aangegeven dat bij de

totstandkoming van het beleid niet uitdrukkelijk aandacht is

besteed aan de vraag of het bezoeken van reguliere scholen in

dit verband op één lijn gesteld kan worden met het gebruikmaken

van speciaal op gehandicapten gerichte voorzieningen, zoals

dagverblijven. Het is voor de Raad op basis van gegevens van

algemene bekendheid ook bepaald niet evident dat zo'n

gelijkstelling vanuit het oogpunt van ontlasting qua verzorging

en oppassing op haar plaats is en evenmin dat de bedoelde

ontlasting -zelfs als een reguliere school op 5 dagen per week

wordt bezocht- als van beduidende omvang als bedoeld in dat

beleid kan worden beschouwd. Van algemene bekendheid is immers

dat in het voortgezet onderwijs sprake is van een groot aantal

vrije weken (zo'n 14 per jaar) en ook dat er regelmatig

wisselingen optreden van begin- en eindtijden van de lessen,

waardoor aan het ontlastende effect van het schoolbezoek

aanzienlijk wordt afgedaan.

Bij gebreke van enige onderbouwing van (de toepassing van)

appellants beleid op dit punt houdt de Raad het ervoor dat het

op gelijke voet als bij het bezoeken van een dagverblijf

beperken van de verhoging van de uitkering ex artikel 13 van de

AAW, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten

gaat. Het betrokken beleidsonderdeel kan dan ook niet als

grondslag dienen om ten aanzien van gedaagde het

uitkeringspercentage op 85 te stellen.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor

bevestiging in aanmerking komt, zij het dat appellant een nieuw

besluit op bezwaar zal moeten nemen met inachtneming van deze

uitspraak van de Raad.

De Raad constateert ten slotte dat niet op grond van artikel

8:75 van de Awb vergoeding van kosten is gevorderd, terwijl de

Raad daarvan ook overigens niet is gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat

appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met

inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is

overwogen.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en

mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in

tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als

griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

JdB

0307