ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9237
public
2018-08-25T08:32:46
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB9237
AL3591
Centrale Raad van Beroep
2001-04-04
99/3428 AKW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Algemene Kinderbijslagwet 7
Rechtspraak.nl
USZ 2001/130
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9237
public
2013-04-08T13:58:34
2002-10-03
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9237 Centrale Raad van Beroep , 04-04-2001 / 99/3428 AKW

-

99/3428 Anw

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 17 november 1997 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard tegen

zijn besluit van 25 maart 1997, houdende de weigering van toekenning van kinderbijslag

aan appellante ten behoeve van twee in de Dominicaanse Republiek wonende kinderen.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 23 juni 1999 het beroep

tegen het besluit van 17 november 1997 ongegrond verklaard.

Van deze uitspraak is mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op de bij beroepschrift van

30 juni 1999 aangevoerde gronden namens appellante in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft bij memorie van 23 december 1999 verweer gevoerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van

21 februari 2001, waar geen van partijen is verschenen.

II. MOTIVERING

Het geschil betreft een aanvraag om kinderbijslag ingaande het derde kwartaal van 1994,

gedaan door de echtgenoot van appellante, ten behoeve van twee kinderen (geboren [in]

1984 en [in] 1988) uit een niet-huwelijkse relatie van hem met de in de Dominicaanse

Republiek wonende moeders.

Deze aanvraag is afgewezen, voorzoveel thans van belang, op de grond dat de kinderen niet

als eigen kinderen van de echtgenoot van appellante kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank heeft dit standpunt van gedaagde onderschreven, en het beroep ongegrond

verklaard onder de volgende overwegingen:

"Ingevolge artikel 7 van de AKW, zoals dat artikel ten tijde hier van belang luidde,

heeft een verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op

kinderbijslag voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind.

In het onderhavige geval stelt eiseres dat de kinderen van haar echtgenoot als eigen

kinderen in de zin van de AKW moeten worden aangemerkt.

Onder eigen kinderen in de zin van de AKW worden verstaan de wettige en

natuurlijke kinderen van een vrouwelijke verzekerde en de wettige en door hem

erkende kinderen van een mannelijke verzekerde. Voor de vraag of een kind eigen is

in de zin van de AKW acht de rechtbank beslissend of de erkenning naar vreemd

recht wat betreft de daarvoor geldende vereisten en de daaraan verbonden

rechtsgevolgen gelijk te stellen is met die naar Nederlands recht.

De rechtbank merkt in dit verband op dat het ingevolge artikel 1: 224, eerste lid,

aanhef en onder d, van het (Nederlands) BW, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van

belang, een erkenning nietig is, indien zij is gedaan bij het leven van de moeder

zonder haar voorafgaande schriftelijke toestemming.

In het onderhavige geval staat vast dat geen voorafgaande schriftelijke toestemming is

gegeven door de moeders van [C.] en [D.]. Naar eiseres stelt is dit volgens het recht

van de Dominicaanse Republiek niet vereist.

De rechtbank overweegt dat de geldende vereisten voor erkenning naar het recht van

de Dominicaanse republiek in dit geval niet gelijk te stellen zijn met de vereisten

ingevolge het Nederlandse recht. Dientengevolge kan dan ook ten aanzien van [C.] en

[D.] niet worden gesproken van eigen kinderen in de zin van de AKW, zodat nu ook

geen sprake is van een aangehuwd kind of een pleegkind, voor [C.] en [D.] geen

aanspraak op kinderbijslag bestaat.

Met betrekking tot het beroep van eiseres op bescherming van familieleven op grond

van artikel 8, eerste lid, van het EVRM stelt de rechtbank voorop dat twijfel mogelijk

is of eiseres (en haar echtgenoot) dit beroep toekomt. Van een op permanente basis

samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding van eiseres en

haar echtgenoot met de kinderen [C.] en [D.] is immers geen sprake. Volgens

Nederlandse rechtspraak met name op het terrein van het Vreemdelingenrecht kan

niettemin onder bepaalde omstandigheden familieleven worden aangenomen, ook als

het gezinsverband is verbroken. Indien, gelet op het vorenoverwogene, in dit geval al

kan worden aangenomen dat aanspraak op de bescherming van familieleven volgens

artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat, moet worden aangenomen dat, alle

belangen in aanmerking genomen, en in het bijzonder het belang van artikel 1: 224,

eerste lid, aanhef en onder d, van het BW, beoogt te beschermen, het bepaalde in dit

artikelonderdeel een in artikel 8, tweede lid, van het EVRM voorziene,

gerechtvaardigde inbreuk zou vormen op de aanspraak op familieleven."

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante herhaald hetgeen hij in eerste aanleg

heeft aangevoerd, en daaraan toegevoegd:

" De rechtbank overweegt dat de geldende vereisten voor erkenning naar het recht van

de Dominicaanse Republiek in dit geval niet gelijk te stellen zijn met de vereisten

ingevolge het Nederlandse recht. Daarbij wordt echter miskend dat voorafgaande

schriftelijke toestemming door de moeders van [C.] en [D.] volgens het recht van de

Dominicaanse Republiek niet zijn vereist.

In de bestreden beschikking wordt tevens overwogen dat eiseres weliswaar recht op

bescherming van familieleven op grond van artikel 8 lid 1 EVRM, maar dat moet

worden aangenomen dat alle belangen in aanmerking worden genomen in bijzonder

dat van artikel 1: 224 lid 1 aanleg en onder b BW gerechtvaardigd inbreuk kan

worden gemaakt op aanspraak op familieleven. Daarbij verliest de rechtbank uit het

oog dat vereisten voor het recht op erkenning van familie- en gezinsleven niet zo

strict dienen te worden geïnterpreteerd dat daarmee bescherming van het gezinsleven

in het geheel niet meer aan de orde is."

Het eerste deel van dit betoog treft geen doel, aangezien daarmee wordt miskend dat het er

nu juist om gaat dat het Dominicaanse recht op dit punt afwijkt van het Nederlandse. De

rechtbank heeft terecht beslissend geacht dat deze, naar Dominicaans recht kennelijk

geldige, erkenning op het punt van de daarvoor geldende voorwaarden niet overeenstemt

met de overeenkomstige Nederlandse rechtsfiguur.

Wat het tweede deel van het betoog betreft, overweegt de Raad dat naar zijn oordeel het

beroep op artikel 8 EVRM op juiste gronden door de rechtbank is verworpen en dat hij in

de stelling van de gemachtigde geen valide weerlegging daarvan vermag te lezen.

Het beroep is terecht ongegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging

in aanmerking komt.

Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de Vries en

prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst

als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M. van Moorst.

RL