-
01/1709 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Commandant Nationaal Commando, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 februari 2001, nr. AW 00/1903, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.
Van de zijde van appellant zijn nog nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 oktober 2002, waar namens appellant is verschenen mr. M.A. Suwout, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.L. de Boef, advocaat te Veenendaal.
II. MOTIVERING
1.1. Gedaagde - tot 30 november 2000 als burgerambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie - bewoont sedert 1996 een voormalige dienstwoning van appellant welke hem uit billijkheidsoverwegingen is toegewezen toen hij na zijn overplaatsing als bewaker-hondengeleider bij de Koninklijke Landmacht naar het garnizoen [plaats] er niet in slaagde aldaar woonruimte te vinden. Ter zake is op 8 januari 1997 een overeenkomst ter bewoning gesloten, waarin onder meer is bepaald dat geen huurbedrag in rekening wordt gebracht. Deze overeenkomst is door gedaagde en (namens) de Commandant Garnizoen [plaats] ondertekend.
1.2. Bij brief van 16 mei 2000 heeft appellant gedaagde meegedeeld dat de woning hem niet te koop wordt aangeboden en dat het in de bedoeling ligt deze te slopen. Gedaagde wordt verzocht de woning te verlaten, waarbij hem een termijn tot 1 december 2000 wordt gegund voor het vinden van een andere woning.
1.3. Overeenkomstig de aan de voet van deze brief opgenomen bezwarenclausule heeft gedaagde bij appellant bezwaar gemaakt tegen deze brief. Bij besluit van 1 september 2000 heeft appellant dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.
1.4. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en het bezwaarschrift van gedaagde is alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast zijn bepalingen omtrent griffierecht en proces-kosten gegeven.
1.4.1. De rechtbank heeft kort gezegd overwogen dat het schrijven van 16 mei 2000 geen besluit of handeling bevat ten aanzien van gedaagde in zijn hoedanigheid van ambtenaar, maar uitsluitend als bewoner van de onderhavige woning. Om die reden kan het schrijven van 16 mei 2000 volgens de rechtbank niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt.
1.5. De Staat heeft gedaagde gedagvaard en ontruiming van de woning gevorderd bij de civiele rechter. Naar aanleiding hiervan zijn door de rechtbank Arnhem tussenvonnissen gewezen op 14 februari 2002, 25 juli 2002 en 26 september 2002. Uit deze vonnissen blijkt - en ter zitting van de Raad is bevestigd - dat beide partijen er van uit gaan dat zij met betrekking tot de woning een bruikleenovereenkomst hebben gesloten die door het burgerlijke recht wordt beheerst. De rechtbank heeft overwogen dat de vordering tot ontruiming moet worden afgewezen en heeft - in reconventie - bepaald dat de Staat gehouden is gedaagde de woning te koop aan te bieden. In het laatste vonnis zijn drie deskundigen benoemd teneinde de huidige objectieve economische waarde van de woning te taxeren.
2. Appellant heeft verklaard dat het geschil met gedaagde langs deze civielrechtelijke weg zal worden beëindigd. Niettemin heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, omdat appellant nog beschikt over een aanzienlijk aantal andere voormalige dienstwoningen en hij duidelijkheid wenst te verkrijgen of eventuele beëindiging van het gebruik van die woningen te zijner tijd langs burgerrechtelijke of, vanwege de ambtelijke dienstbetrekking van de betrokkene, langs bestuursrechtelijke weg dient te geschieden. Vernietiging van de aangevallen uitspraak zal evenwel, zo is ter zitting namens appellant verklaard, geen gevolgen hebben voor gedaagde en de door hem bewoonde woning.
3. Gelet hierop stelt de Raad vast dat appellant geen belang meer heeft bij een oordeel van de Raad in dit concrete geschil. Appellant heeft zich immers reeds neergelegd bij afwikkeling van de tussen partijen met betrekking tot de woning bestaande rechtsverhouding in het kader van de door hem aangespannen civiele procedure. Dat appellant graag een principieel antwoord van de Raad wil op een door hem met het oog op andere gevallen geformuleerde rechtsvraag is naar het oordeel van de Raad niet als voldoende procesbelang aan te merken. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 644,- verleende rechtsbijstand. Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht wordt geheven van € 327,-(voorheen: f 720,61);
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2002.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M. Pijper.