-
00/785 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 30 december 1999, nrs. 98/828, 98/829, 98/1054 en 99/172 AW 06, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 4 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Lefers, advocaat te Groenlo, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, werkzaam bij CAPRA, en door J. Huyink, werkzaam bij de gemeente [woonplaats].
II. MOTIVERING
1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.
1.1. Appellant, die als assistent beheerder van een sporthal in vaste dienst werkzaam was bij de gemeente [woonplaats], is bij onherroepelijk geworden uitspraak van de rechtbank van 24 maart 1998 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk, wegens gemeenschap met iemand jonger dan zestien jaar en ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.
1.2. Bij besluit van 26 juni 1998 heeft gedaagde appellant met ingang van 1 juli 1998 ontslag verleend onder toepassing van artikel 8:7, aanhef en onder e, van de Collectieve Arbeidvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) van de gemeente [woonplaats], op grond van welke bepaling de ambtenaar ontslag kan worden verleend wegens onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf. Dit besluit is na bezwaar bij het bestreden besluit van 8 januari 1999 gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank in die uitspraak beslist op het beroep van appellant tegen andere, in hoger beroep niet in geding zijnde, besluiten en heeft zij beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten.
2. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
2.1. De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is en ook de Raad ervan uitgaat dat op zichzelf de voorwaarde was vervuld waaronder gedaagde ingevolge artikel 8:7, aanhef en onder e, van de CAR/UWO tot ontslag van appellant mocht overgaan. Gedaagde was derhalve bevoegd appellant op de desbetreffende grond ontslag te verlenen. Appellant bestrijdt echter dat gedaagde van deze bevoegdheid gebruik had mogen maken.
2.2. Daartoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat de onderhavige besluitvorming onzorgvuldig is nu gedaagde bij de kennisgeving van het voornemen tot ontslag op 22 april 1998 nog niet over deugdelijke informatie beschikte, aangezien gedaagde eerst op 29 april 1998 van het Ministerie van Justitie een verkorte samenvatting van het strafrechtelijk dossier ontving.
De Raad overweegt dienaangaande dat gedaagde op 22 april 1998 over voldoende informatie beschikte om een aanvang te maken met de besluitvorming omtrent het verlenen van het ontslag, aangezien hij reeds toen kennis droeg van het vermelde onherroepelijke strafvonnis.
2.3. Voorts heeft gedaagde naar het oordeel van appellant onvoldoende meegewogen de door deskundigen in de strafzaak afgelegde verklaringen met betrekking tot de kans op recidive. Naar de mening van appellant heeft gedaagde verder ook onvoldoende gewicht toegekend aan de - door de reclassering onderstreepte - noodzaak van werkbehoud voor appellant. Daaromtrent overweegt de Raad dat de verklaringen, die door de deskundigen en de reclassering primair zijn gegeven in het kader van de jegens appellant te treffen strafrechtelijke maatregelen en/of diens resocialisatie, door gedaagde blijkens het bestreden besluit in het licht van de op hem rustende taak de publieke belangen te behartigen in ogenschouw zijn genomen. De Raad onderschrijft dienaangaande het oordeel van de rechtbank dat, ook al heeft het delict waaraan appellant zich schuldig heeft gemaakt zich buiten de werksfeer afgespeeld, gedaagde gelet op de aard van het delict doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan de omstandigheid dat het houden van toezicht op het gebruik van alle ruimten in de sporthal een wezenlijk onderdeel van appellants functie uitmaakt, zodat hij in de uitoefening daarvan onvermijdelijk mede in contact zal komen met jeugdige gebruikers. Van gedaagde valt ook naar het oordeel van de Raad in redelijkheid niet te vergen dat hij voorzieningen treft die het mogelijk maken dat appellant zijn functie behoudt, doch niet meer met toezichthoudende taken wordt belast. Verder overweegt de Raad dat gedaagde eveneens zwaar mocht laten wegen dat het aanzien van de ambtelijke dienst zou kunnen worden geschaad indien appellant in zijn functie zou worden gehandhaafd, gegeven het feit dat hij in die functie mede gezichtsbepalend kan worden geacht voor die dienst.
2.4. Tenslotte heeft appellant aangevoerd dat gedaagde de mogelijkheden tot plaatsing van appellant in een andere functie binnen zijn gezagsbereik onvoldoende heeft onderzocht. De Raad overweegt dat hij ook hierin appellant niet kan volgen. Nog geheel daargelaten de vraag of in het onderhavige geval op gedaagde een plicht tot herplaatsing rustte, heeft gedaagde genoegzaam aangetoond dat binnen zijn gezagsbereik ten tijde hier in geding geen passende mogelijkheden waren om appellant te herplaatsen.
2.5. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Aangezien de Raad geen aanleiding ziet toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en
mr. T. Hoogenboom en mr. W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van
M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2002.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) M. Pijper.
JvS
22.05