ECLI:NL:CRVB:2002:AF3212
public
2013-04-04T18:22:58
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AF3212
AI6056
Centrale Raad van Beroep
2002-10-17
99/4396 WUBO, 99/3782 WUBO
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AF3212
public
2013-04-04T18:22:58
2003-01-22
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2002:AF3212 Centrale Raad van Beroep , 17-10-2002 / 99/4396 WUBO, 99/3782 WUBO

-

99/4396 WUBO en 99/3782 WUBO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Eiser], wonende te [woonplaats] (Israël), eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Bij brief van 28 juni 1999 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift dat is ingediend tegen het door verweerster op 30 juni 1998 genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffer 1940-1945 (hierna: de Wet).

Bij besluit van 29 juni 1999, kenmerk 0219800/BZ 762/99/229, heeft verweerster het bezwaar van eiser tegen het besluit van 30 juni 1998 gegrond verklaard en aan eiser met ingang van 1 februari 1992 een periodieke uitkering toegekend.

Desgevraagd heeft mr. E. Unger, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van eiser, aangegeven dat eiser het beroep (dat wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 juni 1999) wenst te handhaven.

In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met dit besluit niet kan verenigen

Verweerster heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 6 september 2002. Aldaar is eiser verschenen bij zijn gemachtigde mr. E. Unger, voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Blijkens artikel 6:20, eerste lid, van de Awb blijft een bestuursorgaan verplicht een besluit op de aanvraag te nemen indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit.

Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb bepaalt dat het bezwaar of beroep geacht wordt mede gericht te zijn tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

In aanmerking genomen hetgeen daarover namens eiser is medegedeeld, moet in het onderhavige geval worden vastgesteld dat met het besluit van 29 juni 1999 ten dele tegemoet gekomen is aan de bezwaren van eiser. Gelet op artikel 6:20, vierde lid, van de Awb betekent dit dat het beroep van eiser dat is ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 30 juni 1998 geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 juni 1999.

Uit het voorgaande volgt dat ter beoordeling van de Raad voorligt zowel het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het tegen het besluit van 30 juni 1998 ingediende bezwaarschrift als het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 29 juni 1999.

Met betrekking tot het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het tegen het besluit van 30 juni 1998 ingediende bezwaarschrift is, gegeven het besluit van 29 juni 1999, de vraag aan de orde of eiser nog procesbelang heeft bij dat beroep.

De Raad stelt vast dat een dergelijk belang ontbreekt. Dit betekent dat het beroep van eiser in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Resteert het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van verweerster van 29 juni 1999. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Bij besluit van 29 juni 1999 heeft verweerster eiser op grond van artikel 7, aanhef en sub a, van de Wet met ingang van 1 februari 1992 een periodieke uitkering toegekend. Daarbij is de grondslag van die uitkering gelet op artikel 10, derde lid, van de Wet berekend naar het inkomen dat eiser op het moment van zijn aanvraag uit het beroep van receptionist/receptie-manager in Nederland zou hebben genoten. Verweerster heeft die grondslag vastgesteld op f 51.465,- bruto per jaar, gerekend naar het tijdstip waarop de uitkering ingaat.

In beroep is van de zijde van eiser uitsluitend de hoogte van de vastgestelde grondslag betwist. Aangevoerd is dat bij de vaststelling ten onrechte geen rekening is gehouden met de toeslagen die behoren bij het zogenoemde grondslagberoep van receptionist/receptie-manager. Onder verwijzing naar de Collectieve arbeidsovereenkomst voor het Horeca- en Aanverwante bedrijf 1991/1993 (hierna: CAO Horeca) is namens eiser gemotiveerd betoogd dat bij de vaststelling van de grondslag rekening moet worden gehouden met een zondag-, nacht- en kledingtoeslag.

Verweerster heeft in beroep naar voren gebracht dat de grondslag is gebaseerd op de CAO Horeca en op verkregen informatie van de financieel directeur van het [naam hotel II] te [naam vestigingsplaats]. Benadrukt is dat deze directeur naar aanleiding van expliciet gestelde vragen met betrekking tot de toeslagen heeft geantwoord dat geen rekening gehouden dient te worden met toeslagen en het door hem eerder genoemde salaris van een receptionist/receptiemanager, zijnde f 3.971,83 per 1 februari 1992 uitgaande van indeling in groep VII CAO Horeca met 7 functiejaren (maximum), was gesteld inclusief alle mogelijke toeslagen met uitzondering van vakantiegeld en vakantiedagen.

Gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of verweerster bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden de grondslag van eisers periodieke uitkering heeft vastgesteld op een bedrag van f 51.465,-.

Daartoe overweegt de Raad het volgende.

Mede in aanmerking genomen hetgeen partijen ter zitting hebben medegedeeld, is niet meer in geschil dat eiser wat betreft de vaststelling van de grondslag terecht overeenkomstig de CAO Horeca is ingedeeld in groep VII met 7 functiejaren.

Naar het oordeel van de Raad dient wat betreft de vraag of bij de grondslagvaststelling rekening moet worden gehouden met kleding-, nacht- en zondagtoeslagen aansluiting te worden gezocht bij de CAO Horeca. In bedoelde CAO, zoals die gold in 1992, is onder meer bepaald dat een medewerker in vaste dienst, die op zondag werkt, een toeslag van 50% over het loon van die dag ontvangt. Wat betreft de nachttoeslag is in de CAO Horeca aangegeven dat aan een werknemer aan wie een volledige nachtdienst wordt opgedragen, een toeslag wordt toegekend van 10% van het loon. Ten slotte is in de CAO Horeca bepaald dat iedere werknemer, die niet verplicht is bedrijfskleding op verlangen van de werkgever te dragen, een kledingtoeslag van f 35,52 per maand ontvangt als tegemoetkoming in de kosten van aanschaffing, onderhoud en schoonhouden van de in het bedrijf te dragen eigen kleding.

Gelet op de bepalingen daaromtrent in de CAO Horeca en de onweersproken toelichting zijdens eiser, inhoudende dat eiser in zijn 'grondslagberoep' van shift-leader/ plaatsvervangend front-office manager bij het [naam hotel I] te [vestigingsplaats I] in verplicht representatieve kleding en zeer regelmatig 's nachts alsook tijdens de sabbat werkte, oordeelt de Raad dat verweerster bij de vaststelling van de grondslag voor de periodieke uitkering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de zondag-, kleding- en nachttoeslag. Dat de financieel directeur van het [naam hotel II] te [naam vestigingsplaats] heeft verklaard dat het door hem genoemde loon inclusief toeslagen is, kan daar niet aan afdoen, nu de tekst van de CAO Horeca en niet de door hem gegeven verklaring bepalend is.

Een en ander leidt tot de slotsom dat het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 29 juni 1999, gegrond is voor zover betrekking hebbend op de omstreden vaststelling van grondslag op basis van artikel 10, derde lid, van de Wet en dat het besluit van 29 juni 1999 voor zover aangevochten dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten zijnde € 644,-- aan kosten voor rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het tegen het besluit van 30 juni 1998 ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 29 juni 1999 voor zover aangevochten gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 juni 1999 in zoverre;

Bepaalt dat verweerster met betrekking tot het vernietigde onderdeel van het besluit van 29 juni 1999 een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat het betaalde griffierecht van € 27,23 door de Pensioen- en Uitkeringsraad wordt vergoed;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) A. Kovács.

HD

04.10