ECLI:NL:CRVB:2002:AF3556
public
2013-04-04T18:24:21
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AF3556
Centrale Raad van Beroep
2002-11-21
00/2481 BPW
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 1
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AF3556
public
2013-04-04T18:24:21
2003-01-29
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2002:AF3556 Centrale Raad van Beroep , 21-11-2002 / 00/2481 BPW

-

00/2481 BPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 24 maart 2000, kenmerk JZ/BP/86067, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de Raad. In het beroepschrift, zoals nadien nog schriftelijk aangevuld, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 10 oktober 2002, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Ingevolge artikel 24, tweede lid (oud), van de Wet moet degene die een aanvraag heeft ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen krachtens de Wet, kunnen wijzen op een verklaring van de Stichting 1940-1945, waaruit blijkt of hij al dan niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet en of een omstandigheid als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet al dan niet aanwezig is.

Blijkens de gedingstukken heeft de Centrale Bestuurscommissie van de Stichting

1940-1945 ( hierna: de Commissie) in oktober 1999 de verklaring verstrekt dat eiser niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet. In een begeleidend schrijven van 7 oktober 1999 heeft de Commissie haar oordeel terzake gemotiveerd.

Ingevolge artikel 24, derde lid (oud), van de Wet, kan verweerster, indien de Stichting 1940-1945 een voor de betrokkene negatieve verklaring heeft afgegeven, niettemin buitengewoon pensioen verlenen, indien naar haar oordeel de belanghebbende daarop anders aanspraak had kunnen maken.

Verweerster heeft echter op de gronden uiteengezet in het bestreden besluit geen termen aanwezig geacht deze bepaling ten aanzien van eiser toe te passen.

Nu niet is gebleken van strijd met de wet en het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid van verweerster, dient de Raad na te gaan of gezegd moet worden, dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Bij zijn aanvraag om buitengewoon pensioen heeft eiser, geboren in 1922, gewezen op zijn onderduik om aan verplichte tewerkstelling te ontkomen, alsmede op zijn deelname aan de spoorwegstaking vanaf 17 september 1944 en zijn onderduik gedurende die staking tot aan de bevrijding van zijn toenmalige woon- en standplaats 's Hertogenbosch omstreeks 25 oktober 1944.

Blijkens de gedingstukken heeft de Stichting 1940-1945 naar aanleiding van eisers aanvraag onderzoek verricht.

Mede op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft verweerster - overeenkomstig het oordeel van de Commissie - geconcludeerd dat van de gestelde onderduik geen bevestiging is verkregen, terwijl bovendien uit eisers eigen verklaringen is af te leiden dat geen sprake is geweest van als verzet te beschouwen (principiële) onderduik nu daaruit naar voren komt dat eiser vooral om praktische redenen geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen voor tewerkstelling en zich tijdens de gestelde onderduik voorts regelmatig, en niet om met het verzet verband houdende redenen, in de openbaarheid heeft begeven.

De deelname van eiser aan de spoorwegstaking acht verweerster niet te reiken tot het niveau van verzet in de zin van de Wet, in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat eiser bij die staking een initiërende of leidinggevende rol heeft gespeeld.

De Raad heeft, gelet op de voorhanden gegevens, geen grondslag kunnen vinden om het standpunt van verweerster betreffende eisers gestelde verzetsactiviteiten aan te tasten.

In dit verband stelt de Raad voorop dat het door de Stichting 1940-1945 ingestelde onderzoek zorgvuldig is geweest en aandacht heeft besteed aan alle door eiser aangevoerde omstandigheden. Eiser heeft de juistheid van de resultaten van dit onderzoek ook niet betwist.

Voorts overweegt de Raad dat hij al eerder heeft aanvaard het, in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster dat alleen dan van als verzet aan te merken onderduik kan worden gesproken indien, onder meer, is voldaan aan de voorwaarde dat de betrokkene alles heeft gedaan wat in zijn omstandigheden redelijkerwijs van hem mag worden verwacht om uit handen van de vijand te blijven. Uit de voorhanden gegevens blijkt dat al aan deze voorwaarde hier niet is voldaan; de omstandigheid dat eiser zich wel enigermate heeft schuilgehouden is daartoe niet voldoende.

Wat betreft eisers deelname aan de spoorwegstaking kan de Raad zich verenigen met de zienswijze van de Commissie en verweerster dat in beginsel alleen gesproken kan worden van verzet in de zin van de Wet bij een initiërende dan wel leidinggevende rol. Ofschoon niet valt te ontkennen dat ook enkele deelname elementen van verzet in zich bergt en daaraan voor eiser risico was verbonden, ziet de Raad in de omtrent eiser naar voren gekomen omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat verweerster in eisers geval ten onrechte overeenkomstig dit uitgangspunt heeft beslist. De Raad neemt daarbij mede in aanmerking enerzijds dat blijkens historische gegevens - onder meer neergelegd in " De Jong", deel 10a, eerste helft, pp 344 e.v. - de deelname aan de spoorwegstaking in eisers regio vrijwel volledig was en anderzijds dat de machtspositie van de bezetter ter plaatse snel aan het afbrokkelen was vanwege de nabij oprukkende geallieerde legers.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit de eerderomschreven rechterlijke toetsing kan doorstaan. Voor vernietiging van dit besluit bestaat dan ook geen grond.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

05.11