-
01/2825 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 11 oktober 1999 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 december 1999 ingetrokken, onder overweging dat de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.
Appellant heeft het door gedaagde tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van
12 januari 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft het door gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 12 januari 2000 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 9 april 2001 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven en dat appellant aan gedaagde het griffierecht vergoedt.
Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 februari 2003, waar namens appellant is verschenen mr. M.H. Beersma, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geschil van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Gedaagde was werkzaam als secretarieel/administratief medewerkster toen zij in augustus 1997 uitviel wegens rugklachten. Na het doorlopen van de daarvoor geldende wachttijd heeft appellant gedaagde bij besluit van 29 september 1998 met ingang van 26 augustus 1998 bij wege van voorschot een uitkering ingevolge de WAO betaalbaar gesteld, uitgaande van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de in artikel 36, tweede lid, van de WAO voorgeschreven eenmalige herbeoordeling van gedaagdes aanspraak op WAO-uitkering binnen een jaar na ingang van die uitkering heeft vanwege appellant blijkens daarvan opgemaakte rapporten van 16 juni 1999 onderscheidenlijk 29 september 1999 op die data verzekeringsgeneeskundig respectievelijk arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit onderzoek heeft appellant het bij het bestreden besluit gehandhaafde, in rubriek I van deze uitspraak omschreven primaire besluit van 11 oktober 1999 genomen.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven, maar heeft het bestreden besluit niettemin vernietigd - onder gehele instandlating van de rechtsgevolgen daarvan om reden van haar oordeel omtrent evenbedoelde grondslag - omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 36, tweede lid, van de WAO. Daartoe overwoog de rechtbank als volgt:
" Blijkens jurisprudentie (zie Centrale Raad van Beroep 22 oktober 1999,
nr. 96/11016 AAW/WAO, gepubliceerd in USZ 1999/349) moet worden geconcludeerd dat verweerder de termijn van de eerste jaars herbeoordeling als bedoeld in artikel 36, lid 2, van de WAO heeft overschreden. Blijkens gedingstuk A27 is bij besluit van 29 september 1998 aan eiseres per einde wachttijd d.d. 26 augustus 1998 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de WAO had verweerder, nu eiseres niet behoort tot de uitgezonderde groepen als bedoeld in het derde lid, van die bepaling, binnen een jaar na 26 augustus 1998 moeten bezien of er gronden aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de aan eiseres met ingang van 26 augustus 1998 toegekende uitkeringen ingevolge de WAO. Verweerder heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank deze voorschriften die dwingendrechtelijk van aard zijn niet nageleefd."
In hoger beroep heeft appellant - onder erkenning van overschrijding van de in artikel 36, tweede lid, van de WAO voorgeschreven termijn - aangevoerd dat de rechtbank door dit artikellid in haar overwegingen te betrekken buiten de grenzen van het haar voorgelegde geschil is getreden. Daartoe heeft appellant in zijn aanvullende beroepschrift het volgende gesteld:
"Op grond van artikel 8:69, lid 1 Awb dient de rechtbank uitspraak te doen op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Door mevrouw Rademakers is tijdens het beroep in eerste aanleg niet de grief aangevoerd dat door ondergete-kende artikel 36, lid 2 van de WAO is overschreden. Nu de rechtbank niettemin van dit voorschrift bepalend geacht heeft voor haar beslissing, is zij naar de mening van ondergetekende getreden buiten de grondslag van het geding. Dit zou anders zijn als de betreffende bepaling aangemerkt zou kunnen worden als een voorschrift van openbare orde. Ondergetekende meent echter dat daarvan geen sprake is. Wil een bepaling van openbare orde zijn, dan dient de rechtsregel te behoren tot de kern van de rechtsorde die de rechter los van de wil en de kennis van partijen hoort te bewaken (zie het arrest van de HR d.d. 21 maart 1997,
NJ 1998,207). Een zodanige kwalificatie is naar het oordeel van ondergetekende niet op zijn plaats bij artikel 36, lid 2 WAO. Ondergetekende acht voor dit standpunt mede van belang de wetsgeschiedenis. Met de termijn van één jaar heeft de wetgever met name het oog gehad op het belang van de uitkeringsgerech-tigde, omdat dan nog aandacht aan hem of haar wordt besteed vóór het moment waarop het ontslagverbod van het Burgerlijk Wetboek niet meer geldt (TK 1992-1993, 22 824, nr. 3, p. 40 (MvT TBA)). Als betrokkene niet zodanig hecht aan dit belang dat hij een beroep doet op schending van het voorschrift van artikel 36 lid 2 WAO, dient de rechtbank naar het oordeel van ondergetekende niet tot toetsing aan deze bepaling over te gaan. Gaat de rechtbank tot ambtshalve toetsing over aan een voorschrift dat niet van openbare orde is, dan treedt de rechtbank buiten de grenzen van het geschil en miskent zij de betekenis van artikel 8:69, eerste lid van de Awb. Zie in dit opzicht bijvoorbeeld uw uitspraken van 8 juli 1997 (RSV 1997/272), 15 oktober 1998 (AB 1999/33) en 23 september 1998 (RSV 1999/42).
Ondergetekende acht voorts de door rechtbank Maastricht gebezigde motivering om het besluit d.d. 12 januari 2000 te vernietigen, ontoereikend. De rechtbank heeft voor haar beslissing redengevend geacht dat de bepaling van artikel 36, tweede lid WAO dwingendrechtelijk van aard is. Ondergetekende acht het enkele feit dat een bepaling dwingendrechtelijk van aard is onvoldoende om te kunnen spreken van een voorschrift van openbare orde, zo de rechtbank dit heeft willen betogen."
De Raad onderschrijft dit betoog in zijn geheel en voegt daar nog aan toe dat de gronden, die door en namens gedaagde in eerste aanleg tegen het bestreden besluit zijn ingebracht, naar zijn oordeel door de rechtbank ook niet hadden kunnen dan wel moeten worden begrepen als (mede) betrekking te hebben op overtreding door appellant van artikel 36, tweede lid, van de WAO. Voorts is ook de Raad van oordeel dat dit artikellid, gelet op hetgeen terzake van de zogeheten eerstejaars herbeoordeling in de door appellant genoemde passage uit de wetsgeschiedenis is opgemerkt en ondanks zijn dwingend-rechtelijke aard, niet kan worden geacht van zo`n fundamentele betekenis voor de Nederlandse rechtsorde te zijn dat schending daarvan strijd met de openbare orde oplevert. Aan het oordeel van de Raad doet ook niet af dat in dit geval, zoals blijkt uit de brief van appellant van 15 januari 2001 aan de rechtbank, de WAO-uitkering aan gedaagde bij wege van voorschot is verstrekt en dat deze bevoorschotting niet is gevolgd door een daadwerkelijke toekenningsbeslissing van appellant.
Uit het vorenstaande volgt dat op het hoger beroep moet worden beslist, zoals in rubriek III van deze uitspraak is vastgelegd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2003.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.D. Streefkerk.
SSw