ECLI:NL:CRVB:2003:AF8467
public
2013-04-04T18:40:38
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AF8467
Centrale Raad van Beroep
2003-04-15
01/2762 ZW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Ziektewet 45
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AF8467
public
2013-04-04T18:40:38
2003-05-12
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2003:AF8467 Centrale Raad van Beroep , 15-04-2003 / 01/2762 ZW

-

01/2762 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsor-ganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 21 juli 1999 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 maart 2001 het tegen voornoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 maart 2003, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.M. de Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant is op 3 april 1998 wegens spanningsklachten uitgevallen voor zijn arbeid. Op 20 november 1998 heeft hij bij de kantonrechter te Amsterdam een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft bij beschikking van 17 december 1998 de arbeidsovereenkomst per 31 december 1998 ontbonden en daarbij aan appellant een vergoeding toegekend van ¦17.000,00 bruto.

Bij besluit van 31 maart 1999 heeft gedaagde op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW en de toepasselijke bepalingen van het Maatregelenbesluit aan appellant de maatregel opgelegd van algehele weigering van ziekengeld vanaf 1 januari 1999 op de grond dat appellant door zijn verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst een benadelingshandeling heeft gepleegd. Naar het oordeel van gedaagde was er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid noch van dringende redenen om van het opleggen van de maatregel af te zien.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 1999 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat uit de door appellant overgelegde medische informatie van de behandelend psychiater van 28 oktober 1998 en 9 mei 1999 niet blijkt dat voortzetting van het dienstverband niet gevergd zou kunnen worden van appellant.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder overweging dat appellant zelf het recht op loon heeft prijsgegeven en daarmee een benadelingshandeling heeft gepleegd in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. De door appellant overgelegde medische informatie van de behandelend psychiater leidt niet tot de conclusie dat appellant om medische redenen genoodzaakt was de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Tot slot acht de rechtbank dat er geen aanleiding is om appellant geen, dan wel een verminderd, verwijt te maken ten aanzien van de benadelingshandeling.

De Raad constateert dat niet in geschil is dat appellant door na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid het verzoek te doen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst een benadelingshandeling, als bedoeld, heeft gepleegd. Het geding spitst zich in het bijzonder toe op de mate van verwijtbaarheid van deze benadelingshandeling. Naar het oordeel van de Raad dient bij het beantwoorden van die vraag in een geval als het onderhavige aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te worden vastgesteld of aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren zijn verbonden dat die voortzetting redelijkerwijs van de zieke werknemer niet kan worden gevergd.

Gelijk de rechtbank heeft overwogen is de Raad van oordeel dat uit geen van de medische verklaringen van de behandelend psychiater valt te ontlenen dat op medische gronden de continuering van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet van appellant gevergd kon worden. Noch is de Raad gebleken van andere bezwaren die daaraan in de weg stonden.

Ten slotte overweegt de Raad naar aanleiding van het gestelde in het beroepschrift dat in dit geding aan de Werkloosheidswet te ontlenen aanspraken niet aan de orde kunnen komen.

Het bovenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen termen voor toepassing van artikel 8: 75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

PK