ECLI:NL:CRVB:2003:AM7919
public
2013-04-04T20:11:29
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AM7919
Centrale Raad van Beroep
2003-09-25
02/4404 WUV
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 3
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AM7919
public
2013-04-04T20:11:29
2003-11-11
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2003:AM7919 Centrale Raad van Beroep , 25-09-2003 / 02/4404 WUV

Is terecht besloten dat betrokkene niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met de vervolgde op grond van de WUV omdat hij niet voldoet aan het vereiste van een onafgebroken verblijf in Nederland van tenminste 15 jaar?

02/4404 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 28 juni 2002, nr. JZ/R60/2002/0478, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.

Namens eiser heeft mr. W.J. Eusman, advocaat te Amsterdam, tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld op bij een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 augustus 2003. Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. W.J. Eusman voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1932 in Smerinka (Oekraïne) en van Joodse afkomst, heeft zich blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, komende uit de Oekraïne, samen met zijn echtgenote op 29 augustus 1994 in Nederland bij de vreemdelingendienst aangemeld en een verblijfsvergunning aangevraagd. Bij beschikking van 1 februari 1996 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning en sedert 6 maart 1996 is hij ingeschreven in het bevolkingsregister van [woonplaats]. Eiser bezit vanaf 3 februari 2000 naast de Russische ook de Nederlandse nationaliteit.

In maart 2000 heeft eiser bij verweerster een aanvraag ingediend om met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering krachtens de Wet.

Bij besluit van 11 juli 2000 heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op grond van de overwegingen dat eiser, nog buiten beschouwing gelaten of eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, niet voldoet aan de voorwaarden die in

artikel 3, eerste lid, van de Wet worden gesteld met betrekking tot nationaliteit en woonplaats en dat niet is gebleken van een hechte en duurzame verbondenheid met de Nederlandse samenleving, zodat het geen klaarblijkelijke hardheid is om de Wet in zijn geval niet toe te passen.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep namens eiser is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de vereisten die in artikel 3, eerste lid, van de Wet ten aanzien van het Nederlanderschap of het gevestigd zijn in Nederland worden gesteld om als vervolgde te kunnen worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet kan verweerster evenwel met de vervolgde gelijk stellen de persoon, ten aanzien van wie het niet toepassen van deze Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Blijkens het verhandelde ter zitting spitst het geschil zich toe op de vraag of er in het geval van eiser sprake is van een klaarblijkelijke hardheid als hier bedoeld.

De aan verweerster in deze toekomende bevoegdheid is discretionair van aard. Dit brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ten aanzien van eiser van de hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

Naar het oordeel van de Raad kan het bestreden besluit die toetsing doorstaan.

Bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met betrekking tot personen die niet voldoen aan artikel 3, eerste lid, van de Wet, toetst verweerster de aanvraag aan ter zake door de voormalige Uitkeringsraad opgestelde richtlijnen. Uitgangspunten daarbij zijn dat over het ondergaan hebben van vervolging geen enkele twijfel dient te bestaan en dat de betrokkene voorts moet kunnen wijzen op een hechte en duurzame verbondenheid met Nederland. Bij het meten van die verbondenheid vormt de tijdsduur van het gewoond hebben in Nederland een zeer belangrijk element.

Verweerster hanteert in gevallen als die van eiser waarin sprake is van een persoon die elders in Europa als vreemdeling werd vervolgd, zich na 15 augustus 1955 in Nederland vestigde, eerst na die vestiging de Nederlandse nationaliteit verwierf en die vóór, tijdens en direct na de oorlog op geen enkele wijze met Nederland verbonden was, het beleid dat eerst na een onafgebroken verblijf in Nederland van tenminste15 jaar sprake wordt geacht van een hechte en duurzame verbondenheid.

De Raad acht een dergelijk beleid niet onaanvaardbaar.

Op grond van de voorhanden gegevens moet worden vastgesteld dat eiser aan het vereiste van een onafgebroken verblijf in Nederland van tenminste 15 jaar nog niet voldoet en mitsdien, met in achtneming van bovenomschreven beleid van verweerster, reeds om die reden niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met de vervolgde in de zin van de Wet.

De Raad laat, gelet op het vorenstaande, thans daar wat er zij van verweersters in het bestreden besluit neergelegde opvatting dat niet is komen vast te staan dat eiser vervolging heeft ondergaan.

Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat het namens eiser ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 september 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.). L. Jörg.