Is terecht aangevoerd dat het tehuis waar betrokkene verblijft geen verzorgingstehuis is, maar een servicetehuis waarvan het basispakket niet voorziet in alle benodigde zorg, zodat zij aanspraak heeft op een additionele voorziening op grond van art. 20 WUV?
02/2953 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats] (Israël), eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 31 januari 2002, kenmerk JZ/m70/2002/0054, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift en diverse aanvullingen daarop heeft eiseres aangegeven waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 augustus 2003. Aldaar is eiseres verschenen bij haar gemachtigde M.R. Marcan, wonende te Amsterdam. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren [in] 1907, is bij besluit van 21 mei 1976 erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat eiseres lijdt aan psychische klachten, aangezichtspijn en duizeligheid welke in het door de Wet vereiste causale verband staan met de vervolging die zij heeft ondergaan. Aan eiseres zijn gedurende de periode dat zij nog zelfstandig woonde voorzieningen toegekend ter zake van diverse kosten, waaronder de kosten van verpleeghulp gedurende 28 uur per week en de kosten van extra huishoudelijke hulp gedurende eenmaal per week een halve dag.
In verband met haar verhuizing naar het bejaardentehuis [naam bejaardentehuis] te [vestigingsplaats] heeft eiseres in december 2000 vervolgaanvragen bij verweerster ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor voorzieningen ter zake van opname- en verzorgingskosten en verhuis- en herinrichtingskosten. Daarnaast heeft eiseres in februari 2001 verzocht om toekenning van een voorziening ter zake van de kosten van begeleiding buiten het bejaardencentrum gedurende tien uur per week.
Vervolgens heeft verweerster bij besluiten van 11 mei 2001 voorzieningen aan eiseres toegekend ter zake van opname- en verzorgingskosten, verhuis- en herinrichtingskosten en de kosten verbonden aan begeleiding buiten het bejaardentehuis gedurende twee uur per week. Verder is in verband met de verhuizing van eiseres naar het bejaardentehuis [naam bejaardentehuis] de eerder aan eiseres toegekende voorziening ter zake van de kosten van verpleeghulp gedurende 28 uur per week ingetrokken en is de vergoeding van de kosten van extra huishoudelijke hulp teruggebracht tot twee uur per week.
Na bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit haar besluit gehandhaafd om aan eiseres geen voorziening toe te kennen ter zake van de kosten van meer dan twee uur begeleidingshulp per week. Daartoe is overwogen dat naast een voorziening ter zake van de kosten van twee uur begeleidingshulp per week aan eiseres een voorziening is toegekend ter zake van de kosten van twee uur extra huishoudelijke hulp per week en dat wordt aangenomen dat het bejaardentehuis [naam bejaardentehuis] voor het overige voorziet in de verzorging van eiseres.
In beroep tegen dit besluit heeft eiseres aangevoerd dat [naam bejaardentehuis] geen verzorgingstehuis is, maar een servicetehuis waarvan het basispakket niet voorziet in alle benodigde zorg, zodat zij - gelet op haar causale klachten - jegens verweerster aanspraak heeft op een additionele voorziening. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres een kopie overgelegd van een standaardovereenkomst met [naam bejaardentehuis] en een brief van de directeur van [naam bejaardentehuis] van 21 juli 2003, waarin deze verklaart dat eiseres buiten het basispakket van [naam bejaardentehuis] en buiten de extra voorzieningen die verweerster al heeft toegekend, per week ten minste nog veertien uur extra hulp nodig heeft.
De Raad dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt de Raad het volgende.
Allereerst stelt de Raad vast dat verweerster terecht is uitgegaan van de veronderstelling dat [naam bejaardentehuis] een bejaardentehuis is dat in beginsel een allesomvattende verzorging biedt. In dit verband overweegt de Raad dat uit de door eiseres overgelegde standaardovereenkomst blijkt dat [naam bejaardentehuis] buiten het basispakket tegen extra betaling verdere diensten aan zijn bewoners biedt, waaronder dienstverlening door een zuster of eigen verzorgster. De noodzakelijke kosten van deze verdere diensten zijn, zoals de gemachtigde van verweerster ter zitting heeft bevestigd, evenals de kosten van het basispakket, als verzorgingskosten op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet vergoedbaar voor zover de eigen inkomsten van eiseres ontoereikend zijn.
De Raad is niet gebleken dat de door verweerster toegekende vergoeding voor twee uur per week begeleidingshulp, naast de door verweerster verstrekte voorziening voor extra huishoudelijke hulp en de verzorging die [naam bejaardentehuis] biedt, voor eiseres niet toereikend is. Gelet op dit gegeven kan de Raad niet tot het oordeel komen dat met deze toekenning tekort is gedaan.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat er voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat en dat het door eiseres ingestelde beroep derhalve ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 september 2003.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) L. Jörg.