Toekenning vergoeding aanschafkosten auto.
02/6399 WUBO
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 10 december 2002, kenmerk JZ/K/2002/896, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
Tegen dit besluit heeft eiser op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 21 juli 2003 heeft eiser nog een nadere toelichting gegeven op zijn beroepschrift.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 augustus 2003, waar eiser niet is verschenen en waar verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in maart 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, is op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Bij besluit van 13 maart 2001 is aan eiser ingaande 1 oktober 2000 vergoeding verleend van de kosten verbonden aan vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.
In maart 2002 heeft eiser een vervolgaanvraag ingediend om in het kader van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een voorziening met betrekking tot de aanschaf van een auto.
Bij besluit van 1 augustus 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster dat verzoek afgewezen op de grond dat eiser niet op grond van zijn oorlogsinvaliditeit is aangewezen op een auto, omdat hij gebruik kan maken van een taxi. Verweerster heeft daarbij, het advies van haar geneeskundig adviseurs volgend, overwogen dat niet gebleken is dat bij eiser sprake is van een volledige beperking ten aanzien van het reizen per taxi.
Eiser heeft in zijn beroep aangevoerd dat hij en zijn echtgenote zowel op lichamelijke als psychische gronden de beschikking dienen te hebben over eigen vervoer.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
De geneeskundig adviseur van verweerster heeft zijn advies met name gebaseerd op het rapport van de arts R. van Gorkum, die eiser in februari 2001 naar aanleiding van een eerdere aanvraag heeft onderzocht. Uit dit rapport komt naar voren dat eiser als gevolg van zijn aan de oorlog te relateren psychische klachten beperkt is bij het reizen over grotere afstanden omdat hij niet van de trein gebruik kan maken, maar dat hij wel in staat is om met de bus te reizen.
Van enige psychische of lichamelijke beperking die het eiser thans onmogelijk zou maken om zelfs van een taxi gebruik te maken heeft eiser bij zijn aanvraag geen melding gemaakt en is ook overigens niet gebleken.
Vanaf 1 januari 2002 hanteert verweerster in het kader van de toepassing van artikel 32 van de Wet voor het toekennen van een vergoeding van de aanschafkosten van een auto het vereiste dat er sprake moet zijn van een volledige beperking vanwege causale invaliditeit voor alle vormen van openbaar vervoer (trein, tram, bus en metro) en vervoer per taxi. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in die kosten op grond van artikel 33 van de Wet wordt verlangd dat de causale invaliditeit van de betrokkene het gebruik maken van openbaar vervoer bemoeilijkt en dat daarnaast de niet-causale invaliditeit een volledige beperking voor reizen met openbaar vervoer en taxi geeft.
De Raad acht dit standpunt van verweerster in overeenstemming met een redelijke uitleg van de in geding zijnde wettelijke bepalingen.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen voldoet eiser niet aan de criteria om voor de door hem gevraagde voorziening in aanmerking te worden gebracht.
Eisers stelling dat de auto noodzakelijk is voor het vervoer van zijn echtgenote, omdat zij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of een taxi, doet aan het vorenstaande niet af. Aangezien de in het kader van de artikelen 32 en 33 van de Wet geregelde voorzieningen rechtstreeks verband houden met de oorlogsgerelateerde ziekten of gebreken van de betrokken aanvrager, zijn deze voorzieningen strikt persoonsgebonden en kunnen zij niet worden verleend ten behoeve van een ander dan de aanvrager zelf.
Gezien het vorenstaande kan het ingestelde beroep niet slagen.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om met toepassing artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 september 2003.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) L. Jörg.