ECLI:NL:CRVB:2021:127
public
2021-01-22T11:15:43
2021-01-21
Raad voor de Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-01-21
20/2265 WIA
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:127
public
2021-01-21T15:31:15
2021-01-22
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2021:127 Centrale Raad van Beroep , 21-01-2021 / 20/2265 WIA

Bij aangetekende brief van 7 september 2020 is mw. Thodai nogmaals de gelegenheid geboden de verlangde machtiging in te zenden. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is mw. Thodai erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Mw. Thodai heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. De machtiging is op 13 november 2020 alsnog bij de Raad binnengekomen. Deze is echter niet binnen de gestelde termijn ingediend. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Datum uitspraak: 21 januari 2021

20/2265 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht

in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

8 mei 2020, 17/2277 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mw. H. Thodai, werkzaam bij HAQ recht hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

Bij brief van 7 augustus 2020 is aan mw. Thodai verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in te zenden. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Mw. Thodai heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Bij aangetekende brief van 7 september 2020 is mw. Thodai nogmaals de gelegenheid geboden de verlangde machtiging in te zenden. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is mw. Thodai erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Mw. Thodai heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

De machtiging is op 13 november 2020 alsnog bij de Raad binnengekomen. Deze is echter niet binnen de gestelde termijn ingediend.

Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van J.M. Labage als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2021.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.M. Labage

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

GdJ