De Raad is van oordeel dat het college terecht heeft beslist dat appellant niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, omdat hij geen beperkingen heeft in zijn zelfredzaamheid en participatie. In wat appellant naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor aan ander oordeel. Het betoog van appellant dat hij vrijheid heeft bij het kiezen van zijn hulpverlener en dat het college daarom een maatwerkvoorziening moet verstrekken en de gemaakte uren voor hulpverlening moet uitbetalen, slaagt niet. Ter zitting van 9 december 2020 heeft de gemachtigde van appellant naar voren gebracht dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De Raad is van oordeel dat deze eerst ter zitting naar voren gebrachte grond als tardief moet worden aangemerkt. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
174908 WMO15
Datum uitspraak: 10 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 juni 2017, 16/4530 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [naam] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Op 16 oktober 2018 heeft mr. K. Wevers zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft - gedeeltelijk via videobellen - plaatsgevonden op 9 december 2020. Appellant is met zijn begeleider [naam] verschenen, bijgestaan door mr. Wevers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.B. Holtjer.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant heeft zich op 18 maart 2016 bij het college gemeld voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Naar aanleiding van deze melding hebben de consulenten Wmo [naam consulent 1] en [naam consulent 2] de ondersteuningsbehoefte van appellant onderzocht en hun bevindingen neergelegd in een gespreksverslag. De melding is vervolgens omgezet in een aanvraag.
Bij besluit van 8 juni 2016 heeft het college de verzochte maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding afgewezen. Volgens het college is er bij appellant geen sprake van beperkingen in relatie tot de zelfredzaamheid bij noodzakelijke en dagelijkse levensverrichtingen en/of het voeren van een huishouden.
Bij besluit van 23 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2016 ongegrond verklaard. Appellant voldoet volgens het college niet aan de voorwaarden om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad is van oordeel dat het college terecht heeft beslist dat appellant niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, omdat hij geen beperkingen heeft in zijn zelfredzaamheid en participatie. In wat appellant naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor aan ander oordeel. Het betoog van appellant dat hij vrijheid heeft bij het kiezen van zijn hulpverlener en dat het college daarom een maatwerkvoorziening moet verstrekken en de gemaakte uren voor hulpverlening moet uitbetalen, slaagt niet. De Wmo 2015 biedt een gelijkwaardige toegang tot het persoonsgebonden budget (pgb) en zorg in natura. Dit om iemand die ondersteuning nodig heeft zoveel mogelijk ruimte te geven om de ondersteuning naar eigen wens in te vullen. De keuzevrijheid om met een pgb zelf ondersteuning in te kopen, is echter pas aan de orde als iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Bij appellant is dit niet het geval.
Ter zitting van 9 december 2020 heeft de gemachtigde van appellant naar voren gebracht dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De Raad is van oordeel dat deze eerst ter zitting naar voren gebrachte grond als tardief moet worden aangemerkt. De beginselen van een goede procesorde verzetten zich tegen beoordeling van deze grond. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de gemachtigde van appellant zich reeds op 16 oktober 2018 als gemachtigde heeft gesteld en deze grond (veel) eerder in de procedure had kunnen aanvoeren.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) B.H.B. Verheul