Intrekking en teugvordering. Verzwegen werkzaamheden als zelfstandige. Recht niet vast te stellen. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de inschrijving van zijn bedrijf bij de Kamer van Koophandel en het handelen in en verkopen van tapijten op de markt, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Aan de hand van de overgelegde stukken is het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, vast te stellen.
192712 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 mei 2019, 18/4754 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 2 februari 2021
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte
Griffier: W.E.M. Maas
Beide partijen zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant ontving sinds 17 april 2015 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet, naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 11 april 2018, na bezwaar onder aanvulling van de motivering gehandhaafd bij besluit van 6 november 2018 (bestreden besluit) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 2 februari 2017 ingetrokken en de over de periode van 1 februari 2017 tot en met 28 februari 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 23.255,85 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant door geen melding te maken van de inschrijving van zijn bedrijf bij de Kamer van Koophandel en het handelen in en verkopen van tapijten op de markt de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep komt appellant op tegen het oordeel van de rechtbank dat het recht op bijstand ook niet schattenderwijs is vast te stellen. Hij heeft in dit verband gewezen op de bankafschriften, de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2017 en de kwartaalaangiftes omzetbelasting over het jaar 2017 en het eerste kwartaal van 2018. Aan de hand van de bankafschriften is te zien dat appellant kosten heeft gemaakt voor de verzekering van zijn bedrijfsauto, de kraamhuur op de markt, de opslag van tapijten, de reparaties van zijn bedrijfsauto en zijn boekhouder. Deze kosten waren dusdanig dat appellant geen winst maakte. Appellant heeft geen boekhouding overgelegd, omdat hij zijn boekhouder niet kan bereiken.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aan de hand van de overgelegde stukken het recht op bijstand niet – ook niet schattenderwijs – is vast te stellen. De omvang van de activiteiten voor de onderneming kan aan de hand van de stukken niet worden vastgesteld. Ook is door het ontbreken van een boekhouding niet te controleren hoeveel appellant daadwerkelijk heeft omgezet en wat zijn kosten waren. De aangiftes van de omzetbelasting en de aanslag van de inkomstenbelasting bieden daartoe onvoldoende inzicht. Zo bestaan ook onvoldoende aanknopingspunten voor een betrouwbare schatting. Appellant heeft de boekhouding niet alsnog verstrekt. Het feit dat appellant de door hemzelf aangestelde boekhouder niet heeft weten te bereiken, dient voor zijn rekening en risico te komen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) W.E.M. Maas (getekend) O.L.H.W.I. Korte