ECLI:NL:CRVB:2021:499
public
2021-03-15T16:35:56
2021-03-09
Raad voor de Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-03-09
19/1803 PW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:499
public
2021-03-11T08:43:26
2021-03-15
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:2021:499 Centrale Raad van Beroep , 09-03-2021 / 19/1803 PW

Afgewezen aanvraag woonkostentoeslag. Voorliggende voorziening. Appellant voldoet niet aan de voorwaarde van het buitenwettelijk begunstigend beleid dat bij een plotselinge, onvoorziene daling van het inkomen een tijdelijke woonkostentoeslag kan worden verleend. Dat X met appellant de huur betaalde tot het vertrek van appellant uit de woning betekent dat appellant tot het vertrek verlaagde huurkosten had en niet dat hij meer inkomen had. Appellant kreeg na zijn vertrek uit de woning dan ook niet te maken met een inkomensdaling.

19/1803 PW

Datum uitspraak: 9 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 maart 2019, 18/3538 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft, samen met zijn neef (X), een huurovereenkomst gesloten voor de huur van een woning in [woonplaats] met ingang van 16 augustus 2016. De huur van de woning bedraagt € 789,44 per maand. Appellant en zijn neef zijn op grond van de huurovereenkomst ieder voor het geheel aansprakelijk voor alle daaruit voortvloeiende verplichtingen. In november 2017 is X verhuisd naar een andere woning. Op 14 maart 2018 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een woonkostentoeslag.

1.2.

Bij besluit van 28 mei 2018 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een woonkostentoeslag, nu zijn inkomen de afgelopen periode niet plotseling en/of onvoorzien is gedaald.

1.3.

Bij besluit van 7 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2018 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de Wet op de huurtoeslag is aan te merken als een aan de bijstandsverlening voorliggende voorziening, zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Niet is gebleken van zeer dringende redenen, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW, die tot bijstandsverlening aanleiding geven. Op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid van het college kan, indien het inkomen plotseling en buiten eigen schuld is gedaald, waardoor de woonkosten in verhouding tot het inkomen te hoog zijn geworden, tijdelijk een woonkostentoeslag worden verstrekt. In het geval van appellant wordt niet voldaan aan deze voorwaarde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij op grond van het door het college gevoerde beleid in aanmerking komt voor de gevraagde woonkostentoeslag, omdat hij is geconfronteerd met wegvallend inkomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is uitsluitend de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een plotselinge, onvoorziene daling van het inkomen van appellant, zodat hij niet voldoet aan een van de in het buitenwettelijk begunstigend beleid opgenomen voorwaarden om in aanmerking te komen voor een woonkostentoeslag.

4.2.

Appellant heeft ter toelichting op zijn beroepsgrond aangevoerd dat de (gedeeltelijke) betaling van de huur door X moet worden aangemerkt als inkomen van appellant. X is in november 2017 uit de woning vertrokken en heeft vanaf dat moment geen huur meer betaald. Als gevolg daarvan is het inkomen van appellant gedaald.

4.3.

De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat zijn inkomen onvoorzien is gedaald en dat de daling in het inkomen niet kon worden voorzien op het moment dat de woning werd betrokken.

4.3.1.

De omstandigheid dat X tot zijn vertrek uit de woning een deel van de huur betaalde betekende, anders dan appellant meent, voor appellant niet een verhoging van zijn inkomen maar een verlaging van zijn huurkosten. Doordat X stopte met de betaling van een deel van de huur is het inkomen van appellant dan ook niet gedaald.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2021.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) R.B.E. van Nimwegen