intrekking en terugvordering. Niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden. Dat appellant vanwege zijn gezondheid niet tot meer in staat is geweest dan het verrichten van wat hand- en spandiensten volgt niet uit de beschikbare onderzoeksgegevens. Dat appellant zijn werkzaamheden zag als tijdverdrijf is bij de beoordeling van het verrichten van werkzaamheden niet van belang.
19380 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 januari 2019, 17/3565 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)
Datum uitspraak: 8 maart 2021
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: W.E.M. Maas
Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
B.P. Brouwer.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een intrekking van bijstand met ingang van 7 december 2013 en een terugvordering van kosten van bijstand over de periode van 7 december 2013 tot en met
30 juni 2016.
Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht bij een onderneming in verf, behang en vloeren. Hij heeft die werkzaamheden niet gemeld, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode van 7 december 2013 tot en met het besluit tot intrekking van 9 februari 2017 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.
Het hoger beroep komt er op neer dat appellant vanwege zijn gezondheid niet tot meer in staat is dan het verrichten van wat hand- en spandiensten. Het gaat volgens appellant niet om productieve werkzaamheden, maar om tijdverdrijf om niet in een sociaal isolement te komen.
Deze grond slaagt niet. Dat is alleen al het geval, omdat dit niet het beeld is dat volgt uit de waarnemingen die zijn verricht en ook niet uit de verklaringen van appellant en van de eigenaar van de onderneming waar appellant zijn werkzaamheden verrichtte (eigenaar). Zo is appellant bij waarnemingen werkend aangetroffen en is bijvoorbeeld gezien dat hij in de hal van de onderneming een nieuwe vloer aan het leggen was. Appellant heeft verklaard dat hij dagelijks in de zaak was. Hij komt wel bij klanten thuis voor het beoordelen van een vloer en hij rijdt ook wel mee met stoffeerders voor het inmeten. Als stoffeerders vastlopen bij een klant, haalt appellant hiervoor het materiaal en lost hij het op. De eigenaar heeft onder meer verklaard dat appellant werkzaamheden verricht zoals opmeten, hulp verlenen bij egaliseren, plintjes plakken en materialen brengen en halen. De eigenaar heeft ook verklaard dat appellant voor deze werkzaamheden betaald kreeg. Appellant verrichtte gelet hierop op geld waardeerbare arbeid en genoot daaruit inkomsten. Dat appellant de werkzaamheden zag als tijdverdrijf is hierbij niet van belang.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de kosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) W.E.M. Maas (getekend) P.W. van Straalen