Appellant, die onder bewind is gesteld, kan niet worden ontvangen in zijn hoger beroep. Vast staat dat de bewindvoerder zich in de appeldagvaarding niet namens appellant als formele procespartij heeft gepresenteerd. De door appellant geschetste gang van zaken als gevolg van een vergissing van de gerechtsdeurwaarder komt voor zijn risico. Bovendien kan in de overgelegde e-mail van de bewindvoerder aan de advocaat van appellant niet worden gelezen dat de bewindvoerder de procedure thans als formele procespartij wenst over te nemen.
Zie ECLI:NL:GHAMS:2021:83.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.281.806/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8561458 KK EXPL 20-314
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 april 2021
bij vervroeging
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. M.A.M. Timmermans te Amsterdam,
tegen
WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.N.E. Visser te Amsterdam.
1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna wederom [appellant] en Rochdale genoemd.
Het hof heeft in deze zaak op 19 januari 2021 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.
In dit tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van akten aangaande de ontvankelijkheid van [appellant] in het hoger beroep.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:- akte aan de zijde van [appellant] , met producties;- akte aan de zijde van Rochdale.
2De verdere beoordeling
Het hof gaat van het volgende uit. Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2019 is AB Bewindvoering B.V. benoemd tot (opvolgend) bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [appellant] . Ingevolge HR 17 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525) geldt het volgende. Een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en tot ontruiming van het gehuurde, dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen. Weliswaar brengt het bewind niet mee dat de bewindvoerder partij wordt bij de huurovereenkomst, maar de daaruit voortvloeiende rechten van de rechthebbende zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt daarom ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
[appellant] was in eerste aanleg dan ook geen procespartij. De vraag die thans beantwoord moet worden is of hij een rechtsmiddel kon instellen tegen het bestreden vonnis.
In zijn akte heeft [appellant] aangevoerd dat hij als gevolg van een vergissing van de gerechtsdeurwaarder van zijn advocaat is opgenomen als procespartij in de dagvaarding in hoger beroep in plaats van de bewindvoerder. Zijn advocaat heeft dit niet opgemerkt. Dit kan volgens [appellant] , niet leiden tot niet-ontvankelijkheid. Hij heeft zelf geen invloed gehad op deze vergissing. Daarbij gaat het om het behoud van zijn woning en het zou disproportioneel zijn als [appellant] het slachtoffer wordt van deze vergissing. Daarnaast is bij Rochdale genoegzaam bekend dat [appellant] onder bewind staat. Het hoger beroep is in overleg met de bewindvoerder ingesteld en deze heeft, blijkens een e-mail van 29 juli 2020 daartoe toestemming verleend. Rochdale is dan ook niet benadeeld door een verkeerde tenaamstelling in de dagvaarding in hoger beroep en er kan geen verwarring zijn geweest. Het belang van Rochdale is door deze enkele vergissing niet geschaad. Rochdale heeft zich tegen deze stellingen verweerd.
Het hof is van oordeel dat [appellant] niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. Vast staat dat de bewindvoerder zich in de appeldagvaarding niet namens [appellant] als formele procespartij heeft gepresenteerd. De door [appellant] geschetste gang van zaken als gevolg van een vergissing van de gerechtsdeurwaarder komt voor risico van [appellant] . Bovendien kan in de overgelegde e-mail van de bewindvoerder van 29 juli 2020 aan de advocaat van [appellant] niet worden gelezen dat de bewindvoerder de procedure thans als formele procespartij wenst over te nemen. De overige door [appellant] aangevoerde stellingen kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
De conclusie luidt dat [appellant] niet ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Als de in het ongelijk gestelde partij moet [appellant] de kosten van het hoger beroep dragen.
4 4. Beslissing
Het hof:
verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep , tot op heden aan de zijde van Rochdale begroot op € 760,- aan verschotten en € 2.785,- aan salaris en € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 april 2021.