Klacht tegen een oud-notaris. De kamer heeft het verzet van klager tegen de voorzittersbeslissing ongegrond verklaard. Artikel 99 Wna bepaalt (in de leden 11, 15 en 19) dat tegen een dergelijke beslissing van de kamer geen rechtsmiddel, zoals hoger beroep, openstaat. Feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden, zijn niet gebleken. Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.269.475/01 NOT
nummer eerste aanleg : SHE/2019/31
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 12 januari 2021
inzake
[klager] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
gemachtigde: mr. L.A. Alderlieste, advocaat te Rotterdam,
tegen
[oud-notaris] ,
oud-notaris te [plaats] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de oud-notaris genoemd.
1Het geding in hoger beroep
Klager heeft op 18 november 2019 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de (aan deze beslissing gehechte) beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 21 oktober 2019. Bij genoemde beslissing heeft de kamer het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 1 mei 2019 ongegrond verklaard. Klager heeft op 27 januari 2020 een aanvullend beroepschrift met producties bij het hof ingediend.
De oud-notaris heeft op 13 februari 2020 een verweerschrift met producties bij het hof ingediend.
Het hof heeft de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen. Klager heeft bij brief van 27 januari 2020 het proces-verbaal van de zitting van 19 augustus 2019 van de kamer overgelegd.
De zaak is, voor zover het de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep betreft, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 29 oktober 2020. De gemachtigde van klager is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klager en de oud-notaris zijn niet verschenen.
2Ontvankelijkheid
Klager heeft bij de kamer op 25 oktober 2018 een klacht ingediend tegen de oud-notaris. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 1 mei 2019 de klacht afgewezen omdat deze kennelijk niet-ontvankelijk is. Tegen die beslissing heeft klager tijdig verzet ingesteld bij de kamer. De kamer heeft bij beslissing van 21 oktober 2019 het verzet ongegrond verklaard.
In het algemeen staat - op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wet op het Notarisambt (hierna: Wna) - tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open. Artikel 99 Wna bepaalt echter in de leden 11, 15 en 19 - verkort weergegeven en voor zover hier van belang - dat (i) de voorzitter van de kamer klachten die naar zijn oordeel kennelijk niet-ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht zijn, kan afwijzen, (ii) tegen een dergelijke beslissing van de voorzitter verzet kan worden gedaan bij de kamer en (iii) tegen de beslissing van de kamer dat het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond is, geen rechtsmiddel openstaat. Uit genoemde bepalingen van de Wna volgt derhalve dat er geen rechtsmiddel, zoals hoger beroep, tegen de bestreden beslissing open staat. Dit is slechts anders indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
Volgens klager is sprake van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel omdat de beslissing van de kamer van 21 oktober 2019 niet deugdelijk is gemotiveerd. Een motiveringsgebrek vormt volgens vaste jurisprudentie geen grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Deze stelling van klager, wat daarvan verder zij, is daarom onvoldoende om te kunnen concluderen dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
Het beginsel van hoor en wederhoor is daarentegen wel zo’n fundamenteel rechtsbeginsel. Klager heeft zijn stelling dat dit beginsel is geschonden echter niet feitelijk onderbouwd. Ook zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat klager door de kamer onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen. Klager stelt in zijn beroepschrift integendeel dat tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid is gesproken over de inhoud van het verzetschrift en dat er tijdens de mondelinge behandeling nog vragen zijn gesteld door de kamer.
Het voorgaande leidt ertoe dat klager niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.
3Beslissing
Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 21 oktober 2019.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.H. Lieber en
J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021 door de rolraadsheer.