ECLI:NL:GHAMS:2021:899
public
2021-04-06T10:01:40
2021-04-01
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2021-03-30
23-004174-19
Hoger beroep
NL
Amsterdam
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:899
public
2021-04-06T09:55:56
2021-04-06
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHAMS:2021:899 Gerechtshof Amsterdam , 30-03-2021 / 23-004174-19

Bevestiging van het vonnis. Art. 6 WVW. Het verweer van de raadsman dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die door rood licht is gereden volgt het hof niet.

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004174-19

datum uitspraak: 30 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-114089-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Ethiopië) op [geboortedag] 1966,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht, alsmede van de verklaringen die namens [aangeefster 1] en door [aangeefster 2] op de terechtzitting in hoger beroep zijn afgelegd.

Vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met dien verstande dat het hof

  • i) de bewijsvoering aanvult met onderstaande bewijsoverweging;

  • ii) aandacht zal besteden aan een in hoger beroep gedaan, voorwaardelijk verzoek van de verdediging.

Hierin ligt besloten dat het hof in hetgeen de verdediging in het kader van de strafmaat naar voren heeft gebracht geen aanleiding ziet om andere of lagere straffen op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, net als in eerste aanleg, op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. In aanvulling op de in eerste aanleg aangedragen argumenten heeft hij in hoger beroep aangevoerd dat op de faselogs vanaf 02:04:45,5 uur een verstoring te zien is die duidt op het ongeval, maar dat meer dan een minuut vóór die verstoring – om 02:03:40 – een voertuig door rood licht rijdt. Zodoende kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die door rood licht is gereden, aldus de raadsman.

Naar het oordeel van het hof kan ook dit argument de verdachte niet baten, om de volgende redenen.

Buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant], werkzaam als senior Forensische Opsporing bij de Dienst Regionale Recherche van de politie Amsterdam en gecertificeerd analist verkeersongevallen, heeft in diens proces-verbaal een analyse gegeven van het onderhavige verkeersincident op basis van de gegevens van een verkeersregelinstallatie (hierna: VRI) ter plaatse. Hij heeft gerelateerd dat om 02:03:50 uur zowel de fietsers (het hof: de aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2]) als de bestuurder van een personenauto op het conflictvlak aankwamen, zodat aangenomen kan worden dat het ongeval op dat tijdstip heeft plaatsgevonden. Het hof ziet geen aanknopingspunt voor de gedachte dat het ongeval op een ander tijdstip heeft plaatsgevonden. Daarbij is betrokken dat de verdediging noch de bevindingen van [verbalisant], noch de door hem gehanteerde methodes met kracht van argumenten heeft weerlegd. De raadsman heeft erop gewezen dat [verbalisant] heeft gerelateerd dat het normale verkeersbeeld op het kruispunt vanaf 02:04:45:5 uur gedurende enkele minuten achtereen verstoord was, hetgeen volgens laatstgenoemde in de regel duidt op een belemmering van de doorstroming, zoals bij een verkeersongeval het geval kan zijn. Daaruit kan naar het oordeel van het hof evenwel niet worden afgeleid dat het ongeval om 02:04:45:5 heeft plaatsgevonden. Genoemde verstoring kan immers zeer wel mogelijk verband houden met de nasleep van het ongeval. Sterker nog, dat laatste neemt het hof als vaststaand aan, daar [aangeefster 2] heeft verklaard dat er vrij snel na de aanrijding een automobilist aanwezig was die zich over [aangeefster 1] ontfermde en met zijn auto de weg had geblokkeerd.

Voor het overige vindt het door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweer in toereikende mate weerlegging in de bewijsvoering van de rechtbank.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft in hoger beroep het voorwaardelijk verzoek gedaan om [verbalisant] voornoemd als getuige te horen, indien het hof de twijfel van de raadsman omtrent de juistheid van het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse deelt. Uit het voorgaande spreekt dat het hof die twijfel niet deelt, zodat de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan niet is vervuld.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. J.J.I. de Jong en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van

mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

30 maart 2021.

De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.