Veroordeelde is niet-ontvankelijk in het hoger beroep dat is ingesteld tegen de afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005982-17
Uitspraak d.d.: 18 februari 2021
Tegenspraak
Ontneming
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2017 met het parketnummer 18-830295-15, op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, inzake
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
wonende te [woonadres] ,
hierna te noemen: de betrokkene.
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 4 februari 2021.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de beslissing van de rechtbank zal vernietigen en het wederrechtelijk verkregen voordeel alsmede de terugbetalingsverplichting van de betrokkene zal vaststellen op nihil, in het geval dat in de (annexe) strafzaak tegen de betrokkene de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] geheel wordt toegewezen door het gerechtshof.
In geval van afwijzing van de vordering van deze benadeelde partij, dan wel niet-ontvankelijkverklaring van deze benadeelde partij in de vordering heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, alsmede diens terugbetalingsverplichting zal vaststellen op € 299.796,46.
Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. A.R.H. Baas, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.
Ontvankelijk van het hoger beroep
Het hoger beroep van de betrokkene richt zich tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
In artikel 511g van het Wetboek van Strafvordering inzake het hoger beroep tegen een ontnemingsbeslissing, wordt in het tweede lid, bepaald dat titel II van het derde Boek, en daarmee het bepaalde in artikel 404 van dat wetboek, van overeenkomstige toepassing is.
In laatstgenoemd artikel is bepaald dat tegen een vrijspraak geen hoger beroep openstaat.
Nu naar het oordeel van het gerechtshof een afwijzing van een ontnemingsvordering gelijk is te stellen met een vrijspraak en de betrokkene - gelet ook op hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, namelijk dat de verdediging uitsluitend hoger beroep heeft willen instellen tegen de samenhangende strafzaak en niet tegen de onderhavige ontnemingszaak - ook anders niet enig in rechte te respecteren belang heeft bij dit rechtsmiddel, zal het gerechtshof de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 18 februari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Versteeg is buiten staat dit arrest te ondertekenen.