ECLI:NL:GHARL:2021:1911
public
2021-03-03T13:51:22
2021-03-02
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-02-11
TBS P20/0295
Hoger beroep
Beschikking
NL
Arnhem
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:1911
public
2021-03-03T13:39:21
2021-03-03
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHARL:2021:1911 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-02-2021 / TBS P20/0295

Recidiverisico indexdelict: De raadsman stelt dat niet aan het gevaarscriterium van artikel 38d, tweede lid, Sr is voldaan omdat het moet gaan om gevaar voor strafbare feiten zoals het indexdelict en daarmee vergelijkbare of soortgelijke delicten. Volgens de raadsman is in casu het gevaar voor een delict als het indexdelict (een geweldsdelict) laag. Het hof volgt de raadsman niet. Wat er ook zij van de stelling van de raadsman, de daarop volgende aanname is feitelijk onjuist. De uitkomst van de risicotaxatie is dat het recidiverisico op gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat in het geval van beëindiging van de maatregel en matig-hoog in geval van voorwaardelijke beëindiging. Het hof bevestigt met verbetering van gronden de beslissing van de rechtbank inhoudende de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

TBS P20/0295

Beslissing d.d. 11 februari 2021

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Dr. S. van Mesdag te Groningen.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 juni 2020, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 10 juli 2020;

- de aanvullende informatie van FPC Dr. S. van Mesdag van 8 oktober 2020;

- de wettelijke aantekeningen over de terbeschikkinggestelde van 14 april 2020 tot en met 19 oktober 2020.

Het hof heeft ter zitting van 28 januari 2021 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden, en de advocaat-generaal mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkinggestelde heeft in december jl. zijn laatste therapie afgerond. Hij wil graag werken, maar niet op de werkzaal. Er worden hem geen andere therapieën meer aangeboden. Omdat hij momenteel geen dagbesteding heeft, is het reeds ingezette begeleid verlof door de kliniek ingetrokken. De terbeschikkinggestelde wil graag terug naar Regionale Instelling voor Beschermd Wonen (RIBW) [instelling] in [plaats] , onderdeel van FPC De Rooyse Wissel. Hij is daar aangemeld en toegelaten, maar er is een wachtlijst.

Naar de raadsman meent te kunnen vaststellen vult het hof in verlengingszaken het voor verlenging van de maatregel vereiste gevaarcriterium in door te beoordelen wat het risico op herhaling is van min of meer soortgelijke feiten als het indexdelict bij onmiddellijke beëindiging van de maatregel. In deze zaak betreft het indexdelict een ernstig geweldsdelict. De recente veroordeling van de terbeschikkinggestelde betreft een zedendelict (bezit van kinderporno). De behandeling van de terbeschikkinggestelde in de kliniek richt zich op grensoverschrijdend seksueel gedrag en niet op geweldsdelicten. Psychiater Van Os heeft in 2018 gerapporteerd en onder meer geconcludeerd dat er sprake is van een laag risico op het indexdelict. Uit het verlengingsadvies blijkt dat de kliniek deze bevindingen deelt. De raadsman stelt dat geen sprake is van gevaar voor herhaling van het indexdelict of soortgelijke feiten. Om die reden is er geen basis voor verlenging van de maatregel. Ook indien het gevaarcriterium ruimer moet worden uitgelegd, eist de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel niet. Volgens de kliniek moet vanwege de gestoorde seksuele ontwikkeling van de terbeschikkinggestelde voor recidive worden gevreesd, maar de kliniek legt niet uit voor welke strafbare feiten dan moet worden gevreesd. De raadsman is van oordeel dat niet wordt voldaan aan de verlengingsgrond van artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht. Maar omdat beëindiging van de maatregel niet mogelijk is indien de verpleging van overheidswege niet minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest, bepleit de raadsman de verlenging van de maatregel voor de duur van een jaar en beëindiging van de verpleging van overheidswege onder de door de reclassering voorgestelde voorwaarden. De terbeschikkinggestelde heeft geen bezwaar tegen die voorwaarden.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel is voldaan. Het hof heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat uit de tekst, noch de strekking van de wet volgt dat de vraag of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist uitsluitend mag worden beoordeeld op basis van (het recidiverisico gerelateerd aan) het indexdelict. Blijkens het advies van de kliniek is er bij de terbeschikkinggestelde nog immer sprake van een stoornis en wordt het recidiverisico op een delict soortgelijk als het indexdelict bij beëindiging van de maatregel ingeschat als hoog en bij beëindiging van de verpleging van overheidswege als matig tot hoog. Gelet op de adviezen van de kliniek en de reclassering is een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege vooralsnog niet haalbaar is. Het resocialisatietraject moet zorgvuldig verlopen en op dit moment is er zelfs geen sprake van enige vorm van verlof. Het advies is verlenging met één jaar, maar het is de vraag of daarmee kan worden volstaan. Desondanks heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank om de maatregel met één jaar te verlengen.

Het oordeel van het hof

Recidiverisico indexdelict

De raadsman stelt dat niet aan het gevaarscriterium van artikel 38d, tweede lid, Sr is voldaan omdat het moet gaan om gevaar voor strafbare feiten zoals het indexdelict en daarmee vergelijkbare of soortgelijke delicten. Uit de risicotaxatie van psychiater Van Os in diens rapport uit 2018 blijkt dat het gevaar voor een delict als het indexdelict, te weten geweldsdelicten, laag is. De aanname van de raadsman is vervolgens dat de kliniek daar naadloos bij aansluit.

Het hof volgt de raadsman niet. Wat er ook zij van de stelling van de raadsman, de daarop volgende aanname is feitelijk onjuist. Immers uit het verlengingsadvies blijkt dat de kliniek bij de risicotaxatie gebruik heeft gemaakt van twee risicotaxatie-instrumenten, namelijk de HKT-R en de SSA. De SSA wordt gebruikt voor de risicotaxatie van zedendelicten. De HKT-R wordt gebruikt voor de risicotaxatie van geweldsdelicten. De uitkomst van deze risicotaxatie is het klinisch oordeel dat het recidiverisico op gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat in het geval van beëindiging van de maatregel en matig-hoog in geval van voorwaardelijke beëindiging. Dit wordt herhaald in de aanvullende informatie van de kliniek.

Bevestiging

Het hof is onder verbetering van gronden als hiervoor weergegeven van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep met die verbetering bevestigen.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt met verbetering van gronden als voormeld de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 juni 2020 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr. G. Mintjes als voorzitter,

mr. M.E. van Wees en mr. P.C. Vegter als raadsheren,

en drs. A. Vissers en drs. C.J.J.C.M. van Gestel als raden,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Broersma als griffier,

en op 11 februari 2021 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.