Vrijspraak opzet- en schuldheling motor. Geen bewijs dat verdachte wist of moest vermoeden dat de motor door misdrijf was verkregen.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006765-19
Uitspraak d.d.: 3 maart 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 30 december 2019 met parketnummer 16-141084-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 10-661026-18, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van hetgeen de verdachte ten laste is gelegd. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van dertig dagen, met parketnummer 10-661026-18, zal worden afgewezen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.W.A. Offermanns, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toegewezen tot de duur van vijftien dagen en voor het overige afgewezen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 29 januari 2019 te [plaats] , een goed, te weten een motorfiets (merk [merk] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij de motor in de garagebox stalde voor een toenmalige vriend van hem, die zelf bij zijn appartement geen opslagruimte voor de motor had. De verdachte stalde in de garagebox ook voertuigen voor andere kennissen. De verdachte verklaarde dat het niet in zijn hoofd was opgekomen dat de motor van diefstal afkomstig zou kunnen zijn.
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, meer in het bijzonder dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de motor wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de motor door een misdrijf was verkregen. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken.
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10-661026-18
De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam op 20 juni 2018 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur dertig dagen. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal afwijzen.
Gelet op de vrijspraak van verdachte ten aanzien van het in onderhavige zaak tenlastegelegde strafbare feit, zal het hof deze vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Midden-Nederland van 23 november 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2018, parketnummer 10-661026-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen.
Aldus gewezen door
mr. W. Foppen, voorzitter,
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong, griffier,
en op 3 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.