ECLI:NL:GHARL:2021:2336
public
2021-04-08T11:33:41
2021-03-10
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-03-10
Wahv 200.255.491/01
Hoger beroep
NL
Leeuwarden
Strafrecht
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:2336
public
2021-04-08T11:33:19
2021-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHARL:2021:2336 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-03-2021 / Wahv 200.255.491/01

De officier van justitie is niet adequaat ingegaan op een verweer. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek dat niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.255.491/01

CJIB-nummer

: 213465040

Uitspraak d.d.

: 10 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.255.491/01

CJIB-nummer

: 213465040

Uitspraak d.d.

: 10 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.255.491/01

CJIB-nummer

: 213465040

Uitspraak d.d.

: 10 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.255.491/01

CJIB-nummer

: 213465040

Uitspraak d.d.

: 10 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.255.491/01

CJIB-nummer

: 213465040

Uitspraak d.d.

: 10 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.255.491/01

CJIB-nummer

: 213465040

Uitspraak d.d.

: 10 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 13 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert allereerst aan dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering, maar dat de kantonrechter deze beslissing vervolgens ten onrechte niet heeft vernietigd.

2. In administratief beroep heeft de gemachtigde een aanvullend beroepschrift ingediend met daarin gronden over de onterechte toepassing van artikel 5 van de Wahv.

3. Niet blijkt dat de officier deze grond in zijn oordeel heeft betrokken. De officier van justitie heeft – kort samengevat – geoordeeld dat doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de waarneming van de ambtenaar.

4. De kantonrechter heeft overwogen dat de officier van justitie ten onrechte niet is ingegaan op de grond over de toepassing van artikel 5 van de Wahv. De gemachtigde heeft echter niet onderbouwd waarom staandehouding wel mogelijk was. De ambtenaar mocht volstaan met bekeuren op kenteken. Naar het oordeel van de kantonrechter is de betrokkene door het verzuim van de officier van justitie niet in enig belang geschaad.

5. Naar het oordeel van het hof berust de beslissing van de officier van justitie niet op een deugdelijke motivering zoals artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht eist. Wat de officier van justitie heeft overwogen aangaande het door de gemachtigde gevoerde verweer, levert geen afdoende reactie daarop op. Immers blijkt uit de motivering niet dat het verweer in de beslissing is betrokken. De gemachtigde heeft niet enkel de gedraging betwist. Door de ondeugdelijke motivering van de beslissing van de officier van justitie heeft de gemachtigde geen adequate reactie gekregen op het door hem gevoerde verweer. Dat de kantonrechter wel op dit verweer ingaat, betekent niet dat geen rechtens te erkennen belangen zijn geschaad. De kantonrechter heeft gelet hierop de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten.

6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, doen wat de kantonrechter had moeten te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder van een rijdend motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 november 2017 om 13.16 uur op de Stationsstraat in Elst met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

8. De gemachtigde voert verder aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Artikel 5 van de Wahv is niet bedoeld voor situaties als de onderhavige. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5 van de Wahv blijkt dat dit artikel in het leven is geroepen voor situaties waarbij in het geheel geen ambtenaar aanwezig is. Genoemd worden de constateringen met behulp van technische middelen en parkeerovertredingen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt niet dat wanneer de ambtenaar in burger is gekleed, in privétijd is of de verkeersdrukte het niet toelaat, artikel 5 van de Wahv mag worden toegepast. Er is dan namelijk wel een ambtenaar aanwezig. Omdat in deze zaak geen sprake is van een parkeerboete of een constatering met behulp van technische middelen, kan artikel 5 van de Wahv niet worden toegepast.

9. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

10. Het hof volgt de gemachtigde niet in zijn standpunt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat artikel 5 van de Wahv alleen bedoeld is voor situaties waarbij de gedraging met behulp van technische middelen is geconstateerd of in geval van parkeerovertredingen. De voorbeelden in de totstandkomingsgeschiedenis waarop de gemachtigde dit standpunt baseert, behelzen geen limitatieve opsomming. Dit betekent dat ook in andere situaties dan situaties in de genoemde voorbeelden een sanctie aan de kentekenhouder kan worden opgelegd zonder dat voorafgaande staandehouding heeft plaatsgevonden. Daarbij is het uitgangspunt, zoals onder 9. is overwogen, dat slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, de sanctie aan de kentekenhouder mag worden opgelegd.

11. Het zaakoverzicht vermeldt in dit verband dat staandehouding niet mogelijk was omdat het voertuig wegreed. De ambtenaren waren te voet en konden geen stopteken geven aan het wegrijdende voertuig. Naar oordeel van het hof blijkt uit deze verklaring voldoende dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was en de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd.

12. Verder voert de gemachtigde aan dat in de inleidende beschikking niet is gewezen op het bepaalde in artikel 8.

13. Het hof stelt vast dat in de inleidende beschikking niet is gewezen op het bepaalde in artikel 8 van de Wahv. Daarom is sprake van schending van artikel 5 van de Wahv. Het hof zal echter de inleidende beschikking met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht in stand laten. Niet gebleken is dat de betrokkene door het ontbreken van de verwijzing naar de disculpatiegronden van artikel 8 van de Wahv in zijn (verdedigings)belangen is geschaad. De gemachtigde heeft dit ook niet gesteld. Gelet hierop is aannemelijk dat de betrokkene door deze schending niet is benadeeld.

14. Gelet op het voorgaande wordt het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.