Het hof acht het verweer van de raadsvrouw strekkende tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte onvoldoende onderbouwd. Mede gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen bevestigt het hof het vonnis van de rechtbank.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006625-19
Uitspraak d.d.: 10 maart 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-171943-18 en 16-227462-18, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. L.D.H. Lesmeister, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 10 december 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder parketnummers 16-171943-18 en 16-227462-18 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van zestig uren te vervangen door dertig dagen hechtenis indien deze taakstraf niet naar behoren zou worden verricht.
Het hof is van oordeel dat de politierechter op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis dan ook bevestigen, echter met aanvulling van de gronden.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte deelde aan het begin van de zitting in hoger beroep mee dat verdachte vlak voor de zitting aan haar had verteld dat hij de uitspraak van de politierechter wel goed vond, en dat zij – na overleg met verdachte – nog heeft overwogen om het hoger beroep in te trekken. Aangezien verdachte en zijn moeder aanwezig waren en het zo kort voor de zitting was, is besloten wel door te gaan met het hoger beroep. Verdachte heeft ter zitting zelf ook aangegeven dat hij graag het hof wilde vertellen hoe het nu met hem gaat. Ook wilde hij laten zien dat hij verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft gedaan. In het vonnis van de politierechter kan hij zich vinden, aldus verdachte.
De raadsvrouw van verdachte heeft evenwel aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard. Er is al langere tijd problematiek aanwezig. De feiten zijn gepleegd onder invloed van de bij verdachte bestaande stoornis, zoals blijkt uit de brief van 8 februari 2021 van [naam] , gedragsdeskundige bij Triade, die voorafgaand aan de zitting door de raadsvrouw naar het hof en de advocaat-generaal is gestuurd.
Het hof stelt vast dat het dossier geen NIFP-rapporten, opgemaakt door een psycholoog en/of psychiater, bevat. Uit de hiervoor bedoelde in het dossier gevoegde brief komt naar voren dat bij verdachte sprake is van ernstige symptomen van schizofrenie en dat hij last heeft van somberheidsklachten en psychotrauma. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat het thans goed met hem gaat. Hij woont in een begeleide setting, werkt enkele dagen per week als timmerman en is stabiel.
Gelet op bovenstaande acht het hof het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid onvoldoende onderbouwd. Uit de door de raadsvrouw overgelegde brief blijkt naar het oordeel van het hof niet dat verdachte (volledig) ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Het hof acht de noodzaak niet aanwezig om nader onderzoek te doen verrichten.
Zoals hiervoor reeds weergegeven zal het hof het vonnis van de politierechter bevestigen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-171943-18 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-171943-18 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 augustus 2018.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,
en op 10 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J.A.A.M. van Veen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.