ECLI:NL:GHARL:2021:2455
public
2021-04-08T11:46:43
2021-03-16
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-03-16
Wahv 200.276.459/01
Hoger beroep
NL
Leeuwarden
Strafrecht
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:2455
public
2021-04-08T11:46:29
2021-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHARL:2021:2455 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-03-2021 / Wahv 200.276.459/01

Van een parkeergelegenheid in de zin van het RVV 1990 kan ook sprake zijn zonder dat een vakmarkering is aangebracht.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.276.459/01

CJIB-nummer

: 220939931

Uitspraak d.d.

: 16 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.276.459/01

CJIB-nummer

: 220939931

Uitspraak d.d.

: 16 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.276.459/01

CJIB-nummer

: 220939931

Uitspraak d.d.

: 16 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.276.459/01

CJIB-nummer

: 220939931

Uitspraak d.d.

: 16 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.276.459/01

CJIB-nummer

: 220939931

Uitspraak d.d.

: 16 maart 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.276.459/01

CJIB-nummer

: 220939931

Uitspraak d.d.

: 16 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 4 februari 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “R397EA- Parkeren op een parkeergelegenheid met ander doel dan aangegeven wijze”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 september 2018 om 11:13 uur op de Rembrandtstraat in Zutphen met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

2. De gemachtigde stelt dat slechts sprake is van een parkeergelegenheid bij aanwezigheid van parkeervakken. Dit blijkt ook uit het bepaalde in artikel 24, vierde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Nu ter plaatse parkeervakken ontbreken, is er geen sprake van een parkeergelegenheid. In het aan de geplaatste bebording ten grondslag liggende verkeersbesluit wordt verder gesproken over een parkeerplaats die wordt aangewezen als bestemd voor het opladen van elektrische auto's. Er is geen parkeerplaats aangewezen, nu er geen parkeervakken zijn aangebracht. De gedraging kan daarom niet worden vastgesteld. Verder werd de enige aansluiting op de laadpaal reeds gebruikt door een ander voertuig.

3. De gedraging met feitcode R397EA betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, sub d onder 2º van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), inhoudende:

“1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren (…)

d. op een parkeergelegenheid:

2°. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven; (…).”

4. Het vierde lid van voornoemde bepaling luidt:

“Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.”

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast aanvullende gegevens over het voertuig en de locatie van gedraging.

6. Het dossier bevat ook een aanvullend proces-verbaal. De ambtenaar verklaart hierin dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op een parkeerplaats die bestemd is voor het opladen van elektrische voertuigen. Dit was kenbaar gemaakt met een bord E4 en twee onderborden. Op het eerste onderbord staat: Alleen voor opladen elektrische voertuigen. Het tweede onderbord betreft een schuin naar links wijzende pijl. Verder heeft de ambtenaar vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene geen aansluiting voor elektrisch laden bevat. Uit het systeem van de RDW blijkt dat de brandstof voor dat voertuig benzine is.

7. Bij het aanvullend proces-verbaal zijn foto’s gevoegd. Hierop is een laadpaal te zien met daarboven het bord E4 en de onderborden zoals omschreven door de ambtenaar. Het voertuig van de betrokkene staat links van de paal.

8. Er bestaat geen wettelijke definitie van het begrip parkeergelegenheid. De uitleg van deze term zal derhalve mede afhangen van wat daaronder in het spraakgebruik wordt verstaan, alsmede van de feitelijke omstandigheden van het geval. Raadpleging van Van Dale leert dat onder “gelegenheid” onder meer “aanleiding, mogelijkheid, kans” wordt verstaan.

9. De stelling dat er slechts sprake is van een parkeergelegenheid bij aanwezigheid van parkeervakken, vindt geen steun in het recht. Dit blijkt in het bijzonder uit artikel 24, vierde lid, van het RVV 1990, waaruit volgt dat een parkeergelegenheid kan zijn voorzien van parkeervakken.

Gelet op de feitelijke omstandigheden moest het de betrokkene duidelijk zijn dat de betreffende plek/plaats een parkeergelegenheid voor het opladen van elektrische voertuigen is. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat het voertuig van de betrokkene links van de laadpaal stond geparkeerd terwijl het onderbord specifiek die plek/plaats aanwijst voor elektrische voertuigen. Aan het voorgaande doet niet af dat de laadvoorziening ten tijde van de gedraging reeds werd benut door een ander voertuig. De gedraging kan worden vastgesteld.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

11. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.