Bevoegdheid boa. De gemeente kan particuliere functionarissen inhuren als boa mits er toestemming is van de lokale driehoek. Die toestemming is in dit geval achteraf verleend met terugwerkende kracht. Daarmee kan sanctie geacht worden bevoegd te zijn opgelegd.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer : Wahv 200.253.863/01 CJIB-nummer : 210063141 Uitspraak d.d. : 25 maart 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.253.863/01 CJIB-nummer : 210063141 Uitspraak d.d. : 25 maart 2021 |
|
Zaaknummer : Wahv 200.253.863/01 CJIB-nummer : 210063141 Uitspraak d.d. : 25 maart 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.253.863/01 CJIB-nummer : 210063141 Uitspraak d.d. : 25 maart 2021 |
|
Zaaknummer : Wahv 200.253.863/01 CJIB-nummer : 210063141 Uitspraak d.d. : 25 maart 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.253.863/01 CJIB-nummer : 210063141 Uitspraak d.d. : 25 maart 2021 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 21 december 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 250,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 25 februari 2021 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan advocaat-generaal.
De beoordeling
1. De bezwaren van de gemachtigde zijn gericht tegen de beslissing van de kantonrechter tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 90,- voor: “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 juli 2017 om 17:20 uur op de Rijnsburgerweg in Leiden met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De gemachtigde voert aan dat onvoldoende vaststaat dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd daartoe bevoegd was. In het dossier ontbreekt het mandaatbesluit, waaruit blijkt dat de functionaris die het meest recente proces-verbaal van beëdiging van de betreffende ambtenaar heeft afgegeven daartoe ook bevoegd was. De gemachtigde heeft de gemeente om verstrekking van dit stuk verzocht, maar die heeft deze informatie niet willen of kunnen verstrekken. Ook het proces-verbaal van beëdiging is niet verstrekt. Door de advocaat-generaal is slechts de akte van beëdiging overgelegd, maar geen proces-verbaal van beëdiging. Zonder de genoemde stukken kan de bevoegdheid van de ambtenaar niet worden vastgesteld. Verder was de betreffende buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) niet in dienst van de overheid, maar van een privaatrechtelijke rechtspersoon (G4S Public). Er gelden daarom op grond van artikel 6.2 van de Beleidsregels boa aanvullende voorschriften. Er moet instemming zijn van de lokale driehoek en de ingehuurde boa moet op naam worden benoemd als onbezoldigd ambtenaar. Op de website van de gemeente is echter geen instemmingsbesluit van de driehoek gepubliceerd, noch een aanstellingsbesluit als onbezoldigd ambtenaar. Het door de advocaat-generaal in hoger beroep overgelegde instemmingsbesluit volstaat niet, nu dit dateert van 4 maart 2019, terwijl de gedraging op 26 juli 2017 zou zijn verricht. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
3. Het hof stelt voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar het uitgangspunt is (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan over de bevoegdheid van de ambtenaar. De omstandigheid dat de gemachtigde bepaalde stukken niet heeft kunnen achterhalen, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan.
4. Met betrekking tot het verweer van de gemachtigde dat er geen instemming was van de lokale driehoek, overweegt het hof het volgende.
5. Op grond van artikel 6.2 van de Beleidsregels boa kan een gemeente onder voorwaarden een particuliere functionaris inzetten ten behoeve van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden. Alvorens gemeenten kunnen overgaan tot inhuur moet worden voldaan aan verschillende voorwaarden, waaronder instemming van de lokale driehoek. Hierbij is van belang dat het toezicht op de ingehuurde boa geborgd kan worden (net als bij de ‘reguliere’ boa).
6. Uit het dossier blijkt dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd door de gemeente was ingehuurd van G4S. In een door de advocaat-generaal overgelegde beslisnotitie d.d. 4 maart 2019 van de lokale driehoek van Leiden staat voor zover relevant dat in de gemeente Leiden naast de reguliere teambezetting al jarenlang wordt gewerkt met ingehuurde boa’s (domein I), dat de instemming van de driehoek met de inhuur van boa’s op dat moment nog niet formeel is vastgelegd, dat met terugwerkende kracht wordt ingestemd met de werkwijze van de gemeente Leiden om naast de reguliere teambezetting te werken met inhuurboa’s (domein I) en dat dit op deze wijze formeel wordt vastgelegd. De beslisnotitie is door de leden van de driehoek ondertekend.
7. Op het moment dat de onderhavige sanctie werd opgelegd bestond weliswaar geen instemming van de lokale driehoek, maar met terugwerkende kracht is wel ingestemd met de inzet van particuliere functionarissen in domein I. Aldus heeft de lokale driehoek het gebrek hersteld en daarmee te kennen gegeven dat de beslissing van de betreffende ambtenaar om de onderhavige sanctie op te leggen geacht moet worden bevoegd te zijn genomen. Niet valt in te zien in welk rechtens te respecteren belang de betrokkene daardoor is geschaad. Het verweer faalt dan ook.
8. Met betrekking tot de gedraging voert de gemachtigde aan dat de plaats waar het voertuig van de betrokkene (deels) stond geparkeerd niet kan worden aangemerkt als trottoir, maar als een ‘ander weggedeelte’ waar op grond van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) mag worden geparkeerd. Het betreffende weggedeelte wordt immers niet gebruikt door voetgangers en er staat een boom in een perkje, wat ook niet gebruikelijk is voor een trottoir. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
9. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990. Hierin is, voor zover hier van belang, bepaald dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag het voertuig geparkeerd staan met drie wielen op het trottoir.”
11. Voorts bevindt zich in het dossier het brondocument met als bijlage de foto’s die de ambtenaar van de situatie ter plaatse heeft gemaakt. Op deze foto’s is te zien dat het voertuig met kenteken [00-YYY-0] (deels) staat op een met klinkers belegde en met een trottoirband omgeven verhoging die zich bevindt tussen twee naast de rijbaan gelegen parkeervakken. Deze verhoging loopt door naar een eveneens met klinkers belegde en met een verhoogde trottoirband omgeven strook tussen de parkeervakken en het fietspad.
12. Het hof dient te beoordelen of het weggedeelte waar het voertuig van de betrokkene (deels) stond moet worden aangemerkt als trottoir. De wet kent geen definitie van het begrip trottoir, zodat bij het bepalen of een weggedeelte als trottoir moet worden aangemerkt, uit wordt gegaan van hoe het weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.
13. Het hof stelt vast dat de tussen de parkeervakken en het fietspad gelegen strook is bedoeld om voetgangers veilig in en uit een geparkeerd voertuig te laten stappen zonder dat zij direct op het fietspad staan en dat het verhoogde gedeelte tussen de twee parkeervakken in - waar het voertuig van de betrokken (deels) op stond - is bestemd om voetgangers de mogelijkheid te bieden om tussen de geparkeerde voertuigen door de rijbaan over te steken. Nu het weggedeelte waar het voertuig van de betrokkene (deels) op stond naar uiterlijke verschijningsvorm bestemd is om uitsluitend door voetgangers te worden gebruikt moet dit naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als trottoir.
14. Verder voert de gemachtigde aan dat de betrokkene bestrijdt dat zij een zonebord E1 is gepasseerd. Nu uit het dossier niet is gebleken dat (kort) voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
15. Het hof kan dit verweer van de gemachtigde niet volgen nu de betrokkene niet wordt verweten haar voertuig te hebben geparkeerd in een parkeerverbodszone, maar op het trottoir. Aldus staat vast dat de gedraging is verricht.
16. De gemachtigde voert aan dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden aanleiding geven om het bedrag van de sanctie te matigen. Ter plaatse is namelijk sprake van een structureel parkeerprobleem. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde eerder in de procedure getuigenverklaringen van omwonenden overgelegd. Rond 2008 heeft de gemeente Leiden de parkeervakken gewijzigd. Voorheen was ruimte voor drie voertuigen, daarna nog maar voor tweeëneenhalf. Wanneer er in de buurt geen vrije parkeerplekken zijn dwingt de gemeente haar inwoners dus om te parkeren op de wijze waarop het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd. Sinds jaar en dag wordt op deze wijze geparkeerd en hiervoor wordt nooit een sanctie opgelegd. Hieruit blijkt dat sprake is van een gedoogbeleid.
17. Naar het oordeel van het hof is er in dit geval geen aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen. De omstandigheid dat ter plaatse sprake is van een structureel parkeerprobleem maakt niet dat de betrokkene voor het parkeren van haar voertuig gebruik mocht maken van het trottoir. Niet gebleken is dat er voor de betrokkene - op grotere afstand van haar woning - geen andere mogelijkheid bestond om haar voertuig te parkeren dan op deze wijze. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse sprake was van een gedoogbeleid, op grond waarvan de betrokkene de gerechtvaardigde verwachting mocht koesteren dat haar wijze van parkeren ter plaatse was toegestaan. Ook het dossier biedt daarvoor geen aanknopingspunt. De enkele omstandigheid dat sinds jaar en dag op deze wijze wordt geparkeerd en dat daarvoor nooit een sanctie wordt opgelegd, wat daar verder ook van zij, is daarvoor onvoldoende.
18. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
19. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.