Een in de APV opgenomen verbod om in openbaar groen te parkeren, hoeft niet met verkeersborden te worden aangegeven.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer : Wahv 200.269.976/01 CJIB-nummer : 223039872 Uitspraak d.d. : 14 januari 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.269.976/01 CJIB-nummer : 223039872 Uitspraak d.d. : 14 januari 2021 |
|
Zaaknummer : Wahv 200.269.976/01 CJIB-nummer : 223039872 Uitspraak d.d. : 14 januari 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.269.976/01 CJIB-nummer : 223039872 Uitspraak d.d. : 14 januari 2021 |
|
Zaaknummer : Wahv 200.269.976/01 CJIB-nummer : 223039872 Uitspraak d.d. : 14 januari 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.269.976/01 CJIB-nummer : 223039872 Uitspraak d.d. : 14 januari 2021 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 oktober 2019, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd, de feitcode gewijzigd naar “R406” en het beroep van de betrokkene voor het overige ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod / parkeerverbodszone (bord E1, feitcode R584)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 januari 2019 om 11:39 uur op de Almystraat in Oisterwijk met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De kantonrechter heeft in diens beslissing op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie de feitcode gewijzigd naar R406. Dit betekent dat de inleidende beschikking in zoverre is gewijzigd dat de omschrijving van de gedraging en feitcode zijn vastgesteld op: “voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken (R406)”.
3. De betrokkene voert aan dat de kantonrechter aan een belangrijk gegeven voorbij is gegaan, namelijk dat ter plaatse geen parkeerverbodsborden aanwezig waren. Zij kon dus niet weten dat daar niet mocht worden geparkeerd. Dat de feitcode is gewijzigd kan de betrokkene zich voorstellen. Zij geeft aan bewust niet op de verharde weg te hebben geparkeerd om het andere verkeer niet te hinderen en omdat er geen vrije verharde parkeerruimte aanwezig was. Daarnaast geeft de betrokkene aan dat zij niet de enige was die daar parkeerde. Drie anderen waren zich, net als zij, niet bewust van enig parkeerverbod. De betrokkene verzoek dan ook de uitspraak te heroverwegen en de situatie ter plaatse aan te (laten) passen. Tot slot merkt de betrokkene op dat zij geen gebruik heeft kunnen maken van de gelegenheid om ter zitting haar beroep nader toe te lichten. De op 18 september 2019 gedateerde kennisgeving van de zitting heeft zij pas op vrijdag 20 september 2019 na 16:00 uur ontvangen waardoor zij geen actie meer kon ondernemen. Zij had namelijk een vliegticket voor 22 september 2019 en keerde pas 13 oktober 2019 weer terug.
4. Allereerst wordt ten aanzien van de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter het volgende overwogen. De betrokkene heeft de aan haar gerichte oproep voor de zitting van de kantonrechter van 8 oktober 2019 op 20 september 2019 ontvangen. Met de ontvangst van deze uitnodiging is (tijdig) voldaan aan de uit artikel 12, eerste lid, van de Wahv voortvloeiende verplichting om de betrokkene in de gelegenheid te stellen haar zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. Indien de betrokkene - om welke reden dan ook - niet ter zitting van de kantonrechter kon verschijnen had het op haar weg gelegen om tijdig - zo nodig door tussenkomst van een derde - bij de rechtbank een verzoek tot aanhouding van de behandeling te doen, of er voor te zorgen dat een ander haar belangen ter zitting zou behartigen. Dat de betrokkene daartoe niet in de gelegenheid was, is het hof niet gebleken. Dat zij van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor haar rekening komen.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast - voor zover hier relevant - het volgende:
“Gedragingsgegevens: (…) Tevens zag ik dat het voertuig met 2 wielen op openbaar groen stond, artikel 5:11, lid 1 van de Algemeen plaatselijke verordening 2015 gemeente Oisterwijk.”
6. Daarnaast bevindt zich bij de stukken een op ambtsbelofte opgemaakt aanvullend proces-verbaal van 18 april 2019. Hierin herhaalt de ambtenaar dat het voertuig van de betrokkene met twee wielen in het openbaar groen stond.
7. In het dossier bevinden zich verder foto's, gemaakt door de ambtenaar en de betrokkene waarop de plaats waar het voertuig van de betrokkene stond is weergegeven.
8. De onderhavige gedraging betreft een vermeende overtreding van artikel 5:11 van de destijds geldende Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oisterwijk (hierna: APV). Dit artikel luidt - voor zover van belang - als volgt:
“1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
2. Dit verbod is niet van toepassing:
a. op de weg;
b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;
c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
3. (…).”
9. Gelet op de foto’s in het dossier heeft de kantonrechter de plaats waar het voertuig van de betrokkene stond terecht aangemerkt als groenstrook in de zin van de APV-bepaling. Gelet hierop staat vast dat de gedraging is verricht.
10. Uit de enkele omstandigheid dat er op deze plaats geen verbodsbord of paaltje stond, heeft de betrokkene niet kunnen afleiden dat parkeren hier zou zijn toegestaan. De gemeente hoeft namelijk niet met borden te waarschuwen dat parkeren in een groenstrook niet is toegestaan. Dat volgt reeds uit de APV. Dat vanuit de andere rijrichting middels een op een informatiebord geplakte A4 wordt gewaarschuwd voor de kans op een boete bij het parkeren op de groenstrook, betekent niet dat de situatie onvoldoende duidelijk was. Dat er nog meer auto’s geparkeerd zouden hebben gestaan, brengt op zichzelf niet mee dat van een onduidelijke situatie sprake is. Dat de betrokkene het verkeer op de weg niet wilde hinderen en dat parkeergelegenheid op verhard terrein ontbrak, rechtvaardigt het parkeren in de groenstrook evenmin. De door de betrokkene aangevoerde omstandigheden geven daarom geen aanleiding tot het achterwege laten van een sanctie of matigen van het bedrag daarvan.
11. Gezien het bovenstaande treffen de bezwaren van de betrokkene geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.