ECLI:NL:GHARL:2021:332
public
2021-02-08T08:55:42
2021-01-14
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-01-14
200.238.137 WAHV
Hoger beroep
NL
Leeuwarden
Strafrecht
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:332
public
2021-02-08T08:55:22
2021-02-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHARL:2021:332 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-01-2021 / 200.238.137 WAHV

De kantonrechter overweegt ten onrechte dat bij een niet-ambtsedige verklaring een tweede bewijsmiddel (foto) nodig is.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.238.137/01

CJIB-nummer

: 198886145

Uitspraak d.d.

: 14 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.238.137/01

CJIB-nummer

: 198886145

Uitspraak d.d.

: 14 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.238.137/01

CJIB-nummer

: 198886145

Uitspraak d.d.

: 14 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.238.137/01

CJIB-nummer

: 198886145

Uitspraak d.d.

: 14 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.238.137/01

CJIB-nummer

: 198886145

Uitspraak d.d.

: 14 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.238.137/01

CJIB-nummer

: 198886145

Uitspraak d.d.

: 14 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Noord-Holland van 21 februari 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 9 oktober 2020 wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere verloop van de procedure

De griffier van de rechtbank heeft het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van

21 februari 2018 toegezonden aan de griffer van het hof. Een afschrift van het proces-verbaal is aan partijen verstrekt.

De beoordeling

1. Het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is aan het dossier toegevoegd. Het verweer van de gemachtigde van de betrokkene slaagt op dit punt dan ook niet.

2. De overige bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.

3. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren op gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 mei 2016 om 12:29 uur op de Koningsstraat in Beverwijk met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] . Deze gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, sub f, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

4. De gemachtigde voert aan dat kantonrechter heeft miskend dat de betreffende ambtenaar niet bevoegd was om de sanctie op te leggen. Het handhaven op de verweten gedraging door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) is slechts toegestaan in relatie tot de openbare orde. Niet gebleken is dat de sanctie is gerelateerd aan de openbare orde en bovendien is niet voldaan aan de in Bijlage L van die Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO) gestelde voorwaarden.

5. Het hof volgt het betoog van de gemachtigde niet. Uit de stukken blijkt dat de sanctie is opgelegd door een boa, werkzaam in het domein Openbare Ruimte. Ten tijde van het opleggen van de sanctie golden de Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar (BBO). Het optreden van de ambtenaar valt binnen de in artikel 6.4 van de BBO toegekende bevoegdheden. Voor de handhaving van de negatie van de hier in geding zijnde bebording (E7) geldt niet de eis van relatie tot de openbare orde. Evenmin geldt daarvoor de door de gemachtigde genoemde eis uit Bijlage L.

6. De gemachtigde voert verder aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld op basis van de foto, zoals de kantonrechter overweegt. Een foto is slechts een momentopname. Op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat het betoog van de betrokkene, dat geen sprake was van parkeren in de zin van het RVV 1990 omdat slechts korte tijd werd stilgestaan om zware en omvangrijke goederen te laden, niet juist is.

7. Deze stelling berust op een onjuiste lezing van de beslissing van de kantonrechter. De kantonrechter heeft overwogen dat de vaststelling dat een gedraging is verricht ook kan worden gebaseerd op een niet-ambtsedige verklaring van een verbalisant, mits er dan ook een ander bewijsmiddel in het dossier zit, zoals in dit geval een foto. Het hof merkt op dat volgens de geldende jurisprudentie de gedraging ook op een niet-ambtsedige verklaring kan worden gebaseerd en dat de door kantonrechter gestelde eis van een foto als tweede bewijsmiddel geen geldend recht is.

8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing genomen door het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter in zoverre met verbetering van gronden bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt met verbetering van gronden de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard met;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.