ECLI:NL:GHARL:2021:51
public
2021-02-08T08:43:12
2021-01-05
Raad voor de Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-01-05
Wahv 200.256.477
Hoger beroep
NL
Leeuwarden
Strafrecht
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:51
public
2021-02-08T08:42:47
2021-02-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:GHARL:2021:51 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 05-01-2021 / Wahv 200.256.477

Dwangsom/verzendadministratie. Een registratie van het moment waarop de verdagingsbrief 'bij de postzakken is gelegd', maakt de verzending van deze brief niet aannemelijk. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld. Abusievelijk is de betrokkene gevraagd beroepsgronden in te dienen. Dit leidt niet tot een proceskostenvergoeding. De Wahv kent niet de mogelijkheid van een schadevergoeding.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.256.477/01

CJIB-nummer

: 212598911

Uitspraak d.d.

: 5 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.256.477/01

CJIB-nummer

: 212598911

Uitspraak d.d.

: 5 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.256.477/01

CJIB-nummer

: 212598911

Uitspraak d.d.

: 5 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.256.477/01

CJIB-nummer

: 212598911

Uitspraak d.d.

: 5 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.256.477/01

CJIB-nummer

: 212598911

Uitspraak d.d.

: 5 januari 2021

Zaaknummer

: Wahv 200.256.477/01

CJIB-nummer

: 212598911

Uitspraak d.d.

: 5 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 256,-. De kantonrechter heeft verder bepaald dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom verschuldigd is van € 550,-.

Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Er is verzocht om proceskostenvergoeding. Verder is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De gemachtigde heeft het zittingsverzoek ingetrokken.

De beoordeling

1. Het hof merkt allereerst op geen reden te zien om eraan te twijfelen dat mr. B.D. Endlich, die namens de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld, hiertoe bevoegd is. Het hof zal dan ook niet verzoeken om een machtiging, zoals de gemachtigde van de betrokkene verzoekt.

2. De bezwaren van de officier van justitie richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij bepaald is dat een dwangsom verschuldigd is. Het geschil in hoger beroep is hiertoe beperkt. De gemachtigde voert ook verweer tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Nu de gemachtigde geen hoger beroep heeft ingesteld en incidenteel hoger beroep niet mogelijk is, zal het hof voorbij gaan aan deze verweren.

3. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er tijdig op het administratief beroep beslist is, waardoor geen dwangsom verschuldigd is. De stelling dat er sprake zou zijn van een ondeugdelijke verzendadministratie volgt de officier van justitie niet. Uit de verzendadministratie blijkt dat de verdagingsbrief van 7 mei 2018 door de postkamer is ontvangen en ter post is bezorgd op 7 mei 2018. Daarmee is verzending van deze brief aannemelijk gemaakt.

4. Uit het dossier blijkt het volgende. De inleidende beschikking is op 5 december 2017 verzonden aan de betrokkene. De beslistermijn eindigde in beginsel op 8 mei 2018. De gemachtigde heeft de officier van justitie bij brief van 9 mei 2018, ontvangen op 11 mei 2018, in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroep. De officier van justitie heeft op

26 juni 2018 op het beroep beslist. Op 8 augustus 2018 heeft de officier van justitie beslist op het verzoek om toekenning van een dwangsom en bepaald dat geen dwangsom verschuldigd is.

5. Het dossier bevat een brief van de officier van justitie van 7 mei 2018 waarin de termijn om te beslissen, overeenkomstig artikel 7:24, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, met 10 weken wordt verlengd. De brief is gericht aan Verkeersboete.nl, Postbus 7222, 2701 AE Zoetermeer (het adres van de gemachtigde) en bevat kenmerk LD4333 en CJIB-nummer 5062 5422 1259 8911. Het dossier bevat verder de verzendadministratie van de Hoorpoule, afdeling Mulder beoordelen, van het Parket CVOM. Deze verzendadministratie heeft betrekking op verzending van diverse poststukken aan Verkeersboete.nl. In het overzicht staat in de 19e regel achtereenvolgens: kenmerk LD4333, CJIB-nummer 212598911, dagtekening 7-5-2018 en postcode 2701 AE. Onder het overzicht is de volgende tekst opgenomen: ‘Bovenstaande brieven heb ik ontvangen en gecontroleerd op aantal, kenmerk en postcode in bijzijn van medewerker Hoorpoule en zijn ter post bezorgd op’, voorzien van de handtekening van de medewerker postkamer en de datum 7 mei 2018.

6. De officier van justitie heeft in het hoger beroepschrift het verzendproces beschreven: ‘Aan het eind van de dag worden alle brieven die die dag verstuurd worden naar de professionele gemachtigde op een verzendlijst gezet door een medewerker van de Hoorpoule. Deze verzendlijst wordt door deze medewerker aan het einde van de dag naar de postkamer gebracht. De lijst wordt, in het bijzijn van de medewerker van de Hoorpoule, gecontroleerd en ondertekend door een medewerker van de postkamer. Indien de lijst klopt, worden de brieven door de medewerker van de Hoorpoule in een envelop gedaan en bij de postzakken neergelegd. De verzendlijst met handtekening wordt bewaard in een map bij de Hoorpoule. Deze verzendlijst wordt daarnaast ook gescand en digitaal opgeslagen.’

7. Uit de procesbeschrijving blijkt niet dat de brieven in de postzakken zijn gedaan, slechts dat ze daarbij zijn neergelegd. Aldus is niet aannemelijk gemaakt dat de verdagingsbrief ter post is bezorgd. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de officier van justitie de beslistermijn tijdig heeft verlengd. De kantonrechter heeft juist beslist. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, voor zover aan hoger beroep onderworpen, daarom bevestigen.

8. Verder heeft de gemachtigde verzocht om een schadevergoeding omdat de griffier van het hof ten onrechte verzocht heeft om indiening van beroepsgronden. De Wahv kent de mogelijkheid van schadevergoeding niet. Het hof zal dit verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaren.

9. Het hof zal het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op de door de gemachtigde ingediende beroepsgronden waarom de griffier van het hof abusievelijk heeft verzocht, stelt het hof vast dat -nog daargelaten dat het niet gaat om kosten die redelijkerwijs ten laste van de advocaat-generaal dienen te komen- de gemachtigde deze kosten had kunnen voorkomen indien hij -door het raadplegen van zijn administratie- had vastgesteld dat hij geen hoger beroep had ingesteld. Voor het uitbrengen van het verweerschrift wordt geen proceskostenvergoeding toegekend aangezien de betrokkene niet in het gelijk is gesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2020:3366.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover aan het hoger beroep onderworpen;

verklaart het verzoek van de gemachtigde om een schadevergoeding niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.