De kantonrechter is bevoegd het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en kan daarbij (de motivering van) de beslissing van de officier van justitie wijzigen.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer : Wahv 200.251.940/01 CJIB-nummer : 211676259 Uitspraak d.d. : 20 januari 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.251.940/01 CJIB-nummer : 211676259 Uitspraak d.d. : 20 januari 2021 |
|
Zaaknummer : Wahv 200.251.940/01 CJIB-nummer : 211676259 Uitspraak d.d. : 20 januari 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.251.940/01 CJIB-nummer : 211676259 Uitspraak d.d. : 20 januari 2021 |
|
Zaaknummer : Wahv 200.251.940/01 CJIB-nummer : 211676259 Uitspraak d.d. : 20 januari 2021 |
Zaaknummer : Wahv 200.251.940/01 CJIB-nummer : 211676259 Uitspraak d.d. : 20 januari 2021 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 november 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard, het beroep voor het overige ongegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie gehandhaafd in de zin dat de niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken wegens de onverschoonbare termijnoverschrijding. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging. De kantonrechter heeft overwogen dat de overgelegde machtiging wel toereikend was en dat de officier van justitie het beroep dus niet op die grond niet-ontvankelijk kon verklaren, maar dat de beslissing van de officier van justitie tot niet-ontvankelijkverklaring wel kan worden gehandhaafd, zij het op een andere grond, namelijk dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en niet is gebleken dat dit verschoonbaar is.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie geheel gegrond had moeten verklaren, die beslissing ten volle had moeten vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De kantonrechter heeft dit miskend, zodat diens beslissing niet in stand kan blijven.
3. Artikel 13, eerste lid, van de Wahv, luidt als volgt:
“Indien de kantonrechter bevindt dat het beroep ontvankelijk is en dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle gehandhaafd kan worden, verklaart de kantonrechter het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond en vernietigt of wijzigt het (het hof leest: hij) daarbij de bestreden beslissing.”
4. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en - zo begrijpt het hof - de motivering van die beslissing gewijzigd in die zin dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Aldus heeft de kantonrechter gehandeld in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, van de Wahv. Het verweer van de gemachtigde faalt.
5. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Nu de kantonrechter het beroep (al dan niet gedeeltelijk) gegrond heeft verklaard, is de betrokkene (gedeeltelijk) in het gelijk gesteld en was er dus aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
6. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.